Vragen bij een enquête

De Protestantse Kerk houdt onder haar leden een enquête met het oog op de kerk in 2025.  De media pakken het bericht snel op, al klinkt het her en daar wat dramatisch: hoe moet het verder? Alsof het een soort van wanhoopspoging is. En dat is het niet. Ik waardeer het positief dat de PKN een kerkbrede enquête houdt. Enige kerkpolitiek zal daar overigens niet vreemd aan zijn. Bisschop Eijk en de rooms-katholieke Nederlandse kerkprovincie hielden de enquête die Rome de wereldkerk instuurde angstvallig voor zich en de parochiebesturen. De Protestantse Kerk laat zien dat zij andere mores kent in de omgang met het grondvlak. Tegelijk vraag ik me af, in hoeverre de vragen echt peilen wat aan de basis leeft. Het gaat namelijk meer om de (bovenplaatselijke) organisatie dan om de inhoud, als het erop aan komt meer om het hoofd dan om het hart. Voor zover de vragen wel betrekking hebben op de plaatselijke gemeente, kunnen de betrokken gemeenten daar hun voordeel niet mee doen. Je hoeft alleen maar de provincie waar je woont in te vullen, geen postcode. Maar zelfs met een postcode zouden de gegevens niet kunnen worden doorgesluisd naar de desbetreffende plaatselijke gemeente, omdat een toenemende groep mensen niet in de eigen geografische (wijk)gemeente kerkt. Het invullen van specifieke geografische gegevens als de postcode zou de beloofde anonimiteit onder druk hebben gezet. Bovendien zouden de uitkomsten fricties tot gevolg kunnen hebben, bijvoorbeeld in de beoordeling van de predikant in zijn verschillende taken (vraag 11). Verstandig daarom dat dat niet gedaan is.

Met alle waardering voor dit initiatief, zet ik een aantal kritische kanttekeningen op een rijtje, zonder de pretentie volledig te zijn.

  • Het overgrote deel van de vragen is gesloten. Je kunt alleen kiezen uit een aantal voorgegeven antwoorden. Dat perkt de creativiteit sterk in. De enquête wekt dan wel de indruk het kerklid voluit serieus te nemen, maar doet dat in de praktijk toch slechts in beperkte mate. Het zou echt spectaculair zijn geweest als de enquête mensen meer vrijuit had laten denken en dromen. Lastig voor de verwerking, maar dat is een ander punt.
  • Een (kwantitatieve) enquête bevestigt doorgaans de status quo. Echte vernieuwing vraag om inzet van andere middelen. Godsdienstsocioloog Hijme Stoffels wees daar in een eerste reactie van een paar dagen geleden direct al op.
  • De geslotenheid van de vragen valt me bijvoorbeeld op bij vraag 27, gericht aan de predikant. De vraag is eerst: wat is de omvang van uw dienstverband? Klik je fulltime aan, dan is de kous af. Klik je parttime aan dan kun je vervolgens nog kiezen uit twee antwoorden: je bent tevreden, of je bent het niet. Zou het ook kunnen zijn dat een fulltime predikant liever parttime zou werken? Of dat de parttimer het prima vindt parttime te werken mits het wat makkelijker zou zijn een andere werkkring met het predikantswerk te combineren? De enquête laat geen ruimte voor dit soort nuances en blijft daarmee toch wat oppervlakkig.
  • Soms gaat het bij de antwoorden echt fout. Vraag 33 luidt: ‘Ervaart u voldoende ondersteuning bij uw werk als predikant vanuit … ‘. Dan volgt een opsomming via kerkenraad en werkgemeenschap naar de classis, en verder. Het vreemde is alleen dat de gemeente niet in het rijtje genoemd wordt. Kan die niet ondersteunen? Is de steun vanuit de gemeente niet het allerbelangrijkste? De vraag stellen is hem beantwoorden. Wat heb ik door de jaren heen juist vanuit de gemeente aan steun en warmte mogen ontvangen!
  • De vervolgvraag (34) over de werkgemeenschap krijgt de predikant alleen maar als hij bij de vorige vraag de ondersteuning uit de werkgemeenschap positief waardeerde. De mogelijkheid om wat kritischer in te gaan op dit instituut ontbreekt, terwijl daar best aanleiding voor is. Er zijn zoveel vormen en plaatsen van overleg en ondersteuning, dat de vraag is wat daarbovenop de positie van de werkgemeenschap is, zeker als de predikant ook nog aan zijn reguliere werk wil toekomen.
  • De vragen zijn soms dubbelzinnig. Vraag 29 citeert de ambtsopvatting uit de kerkorde (vgl. vraag 45). Op zich niets mis mee. Maar de vraag is dan: ‘Drukken bovenstaande woorden op uw ambtsbeleving?’ Drukken kan hier zowel een positieve als een negatieve lading hebben. Of deze opvatting wordt in jouw ambtspraktijk zichtbaar en je bent daar blij mee. Of deze opvatting is je te hoog gegrepen, je bent je bewust van je onvermogen, en je ervaart haar daarmee als een last. Vanwege de mogelijke misverstanden zullen de antwoorden op deze vraag onbruikbaar zijn.
  • Bij vraag 50 mag ingevuld worden, hoe je staat tegenover de intensivering van een bepaald onderdeel van het kerkelijk werk, bijvoorbeeld meer jeugdwerk. Op zich is daar niets mis mee. Toch heeft het voor mijn gevoel ook iets van ‘u vraagt, wij draaien’. Het wordt naar mijn idee pas spannend en reëel als er gekozen moet worden: bijvoorbeeld óf meer jeugdwerk, óf meer diaconaal werk. In het kader van dezelfde vraag kun je aangeven hoe je denkt over de stelling ‘beter klein, kwetsbaar en zelfstandig dan fuseren met een andere gemeente’. Zou de vragensteller echt vóelen wat dat betekent, als hij of zij op deze vraag reageert? Ik betwijfel het. Zoals bij veel kwantitatieve enquêtes is het manco, dat het allemaal erg vrijblijvend is.
  • Een vraag verder (51) stuit ik op het tegenovergestelde van de gesloten vraag. Ik mag aangeven wat ik vind van ‘opleiding en profiel predikanten meer aanpassen aan huidige behoeften van gemeenten’. Wat die ‘huidige behoeften’ zijn wordt er niet bij verteld. Voor menigeen zal het antwoord op deze voorvraag bepalend zijn. Als de gemeenten bijvoorbeeld zouden vinden dat een goede predikant orthodox moet zijn, zal de reactie anders luiden dan als de kwalificatie vrijzinnig is. Met andere woorden: dit is op een verkeerde manier een ‘open vraag’, een vraag die zweeft.
  • Bij vraag 60 lijken de antwoorden de geënquêteerde in een bepaalde richting te drukken. Bij vorige vragen is er een zeker evenwicht tussen onacceptabel enerzijds en zeer wenselijk anderzijds, of tussen zeer belangrijk aan de ene kant en zeer onbelangrijk aan de andere. Wel zou het me niet verbazen dat de volgorde van de verschillende categorieën er toe doet. In het ene geval begint het met onacceptabel, in het andere met zeer belangrijk. Ik vermoed dat hoe meer het vakje naar links staat – dus waar men begint te lezen -, hoe eerder het verhoudingsgewijs zal worden ingevuld. Bij vraag 60 is echter iets anders aan de hand. Er kan uit vijf waarderingen worden gekozen: uitstekend / zeer goed / goed / matig / slecht. Overgezet in de cijfers van het rapport: 10 / 9 / 8 / 6 of 5 / 2. Het zal direct duidelijk zijn dat het evenwicht hier zoek is. Bovendien begint de reeks anders dan elders in het onderzoek met de hoogste waardering. De landelijke kerk gaat bij vraag 60 ongetwijfeld hoog scoren … .

Het zal duidelijk zijn. Hoe ingenomen ik ook ben met het idee van een enquête, ik ben buitengewoon ongelukkig met de inhoud ervan. Ik kan deze manier van bevragen niet echt serieus nemen. Hooguit zullen er bij een aantal vragen tendensen uit kunnen worden afgeleid, maar dat hangt dan sterk af van de vraagstelling en de te geven antwoorden. Synode, u kunt beter uw eigen plan trekken dan rekening houden met de uitslag van deze enquête. De kans is groot dat u daarmee pas echt recht doet aan wat er aan de basis van de kerk leeft.

P.S. Zie ook de bijdrage ‘PKN op verkeerde pad met onderzoek’ van Joop van Holsteyn, bijzonder hoogleraar kiezersonderzoek aan de Universiteit van Leiden, in Trouw van 21 februari 2015. Hij richt zich met name op de problemen met de representativiteit die de huidige aanpak oplevert.

Geplaatst in Alles, Gemeente, Overig, Publicaties | Reacties uitgeschakeld voor Vragen bij een enquête

Worstelen met geweld in de Bijbel

Enkele overwegingen bij het geweld in Jozua 5: 13 – 6: 27 (de verovering van Jericho)

‘Jericho, Jericho …’. Het liedje uit Alles Wordt Nieuw komt als vanzelf weer boven. Geen wonder. Het komt uit het eerste deeltje van de serie, indertijd omarmd. Ik heb het verhaal van Jericho en vele andere als kind horen vertellen. Ik heb me toen, bijna vijftig jaar geleden, niet gestoord aan de gewelddadige elementen in het verhaal. Toch zitten ze erin. Jericho wordt in de ban gedaan (Jozua 6: 17). Alle inwoners worden vermoord, ‘zowel man als vrouw, zowel jong als oud’ (Jozua 6: 21 – NBG 1951). Hoewel ik me dat niet exact kan herinneren zullen deze gegevens niet zijn weggelaten, hooguit gekuist onder woorden gebracht. Ik heb indertijd geen onlustgevoelens gehad, er geen traumatische herinneringen aan over gehouden. De kans is groot dat ik het nu als kind anders zou beleven. De samenleving kijkt anders naar geweld, beleeft het anders. Fysiek en andersoortig geweld is problematisch geworden.

Verschuivingen in de cultuur
Hoe komt dat? Eén van de oorzaken van deze verschuiving heeft te maken met de opkomst van de beeldcultuur. Ik herinner me nog een gesprek met een ouder iemand die vertelde dat in haar jonge, vooroorlogse jaren het dorp de wereld was. Wat buiten het dorp gebeurde kwam slechts in gefilterde vorm tot haar, in het gesproken of het geschreven woord, bijna nooit in beelden. Hoe anders werd dat toen de TV ingeburgerd raakte. De hongersnood in Biafra eind jaren ’60 had naar ik vermoed juist door de TV een enorme impact op de samenleving. De overkill (sic!) aan gewelddadige beelden heeft ervoor gezorgd dat de moeite ermee langzaam toenam. Het contrast met ons eigen, relatief vredige West-Europa nam nog toe doordat op microniveau geweld afnam. Slaan op school, het is ondenkbaar geworden. We zijn ons bewust geworden van het feit dat de gevolgen van geweld in de opvoeding desastreus kunnen zijn, bij wijze van spreken tot in het derde of vierde geslacht kunnen doorwerken.

Verhaal
Wat betekent dit voor onze omgang met Bijbelse verhalen waarin geweld prominent voorkomt, dan van Jericho bijvoorbeeld? Een eerste reactie kan zijn de historische basis van dit verhaal sterk te relativeren. Archeologische vondsten geven aanleiding tot twijfelen. Toch zijn deze gegevens minder hard dan ze soms lijken. Dateringen willen nog wel eens schuiven. Het kan zomaar zijn dat deze of andere vondsten een nieuw licht op de zaak werpen waardoor het minder onmogelijk is dan eerder scheen. Afgezien daarvan is het me te simpel om als iets me niet aanstaat het als niet gebeurd weg te zetten.
In het verlengde van het voorgaande ligt de stelling dat het verhaal vooral een literaire constructie van later datum is. Het zou in de huidige vorm pas na de ballingschap zijn ontstaan. Israël was toen al lang geen machtsfactor meer. Integendeel. Het was veeleer slachtoffer geworden van politieke machinaties, geen speler van betekenis meer. De gewraakte oudtestamentische verhalen zijn op deze manier veeleer de theologische verantwoording van een diep geworteld verlangen naar een gezamenlijke identiteit. Hoewel hier veel meer over te zeggen valt, kom ik hiermee niet echt verder. Het geweld heeft ontegenzeggelijk een plaats in deze verhalen en heeft daarmee tenminste de schijn van een goddelijke legitimatie.

Oud en Nieuw
Een ander argument dat wel in de discussie wordt gebracht is het onderscheid tussen Oude en Nieuwe Testament. Het Oude Testament is dan vol van geweld, het Nieuwe zou daar niet van willen weten. Wie echter wat beter kijkt, ziet dat we er daarmee ook nog niet zijn. Wat moeten we in de evangeliën bijvoorbeeld met het gegeven dat Jezus móest sterven? Als we ons ongemakkelijk voelen bij fysiek geweld, komt ook dat gegeven onder kritiek te staan. In de Handelingen worden we geconfronteerd met Ananias en Saffira. Over het boek Openbaring kunnen we maar beter zwijgen als we met het Nieuwe Testament het geweld in het Oude willen ‘corrigeren’: het ene beeld brengt nog meer verderf en onheil teweeg dan het andere. Bovendien: wat een liefdevolle zorg proef ik in het Oude Testament als het gaat om de omvang van God met zijn volk. Toch valt een in het Nieuwe Testament een verschuiving van accent te ontdekken: meer warmte en liefde. Jezus maakt ons kritisch op het gebruik van geweld in welke vorm dan ook: wie het zwaard opneemt zal door het zwaard omkomen (Matteüs 26: 52). Verder valt in het Nieuwe Testament op dat God geen opdracht aan mensen geeft te doden. Als het al gebeurt, dan doet Hij dat Zelf. Ook het opwekken van Jezus uit de dood kan gelezen worden als een afwijzend goddelijk oordeel over de gewelddadige dood die Hij stierf.

Voorlopige conclusie
Al met al vrees ik, dat we er niet aan ontkomen, aan geweld in wat voor vorm dan ook. Het krachtige aan de Bijbel vind ik altijd weer dat het het leven niet mooier maakt dan het is. Het is een uitermate realistisch boek. De mens wil zich met alle mogelijke middelen handhaven. Wat God wil? Ik denk dat er over het geheel wel goede gronden zijn om te stellen dat God een verovering als die van Jericho niet opnieuw wil. Het is een gebeurtenis uit het verleden die niet zomaar naar het heden over te zetten valt. Wij zijn bijvoorbeeld het volk Israël niet. We kunnen het verhaal alleen ‘in Christus’ lezen, met Zijn ogen. Vanuit mijn relatie met Hem zetten de geweldsscènes me aan het denken en dat zou wel eens precies de bedoeling kunnen zijn. God laat in Hem zien dat Hij anders werkt, met de kracht van de liefde in plaats van die van de haat. Als er al sprake is van een krachtig goddelijk ingrijpen, dan autonoom, zonder de tussenkomst van mensen. Misschien valt daar in de ultieme overwinning van het de Kwade niet aan te ontkomen. Al blijf ik misschien stiekem toch een beetje hopen dat het anders kan … .

 

Geplaatst in Alles, Gemeente, Overig | Reacties uitgeschakeld voor Worstelen met geweld in de Bijbel

Puzzelen met tarieven

Het is een bekend gegeven voor de consument: pleeg grondig onderzoek naar prijzen en tarieven. De aanbieding mag soms heel aantrekkelijk lijken, is het echt de goedkoopste?

In dit geval neem ik je mee op een zoektocht naar het goedkoopste tarief om van een willekeurige plaats in Nederland naar Berlijn te komen. NS International heeft een op het eerste oog aardige aanbieding: € 39 per persoon enkele reis. Met twee personen retour komt dat uit op € 156. Wil je daar een zitplaatsreservering bij, dan moet je € 18 bij dit bedrag optellen en komt het totaal uit op € 174. Het is overigens vrijwel onmogelijk de kosten van de zitplaatsreservering op de site van NS International te vinden. Pas als je begint met boeken kom je er achter.

Stel nu dat je een Dalvrij abonnement hebt, of een ander abonnement waarmee je binnen bepaalde voorwaarden vrij of anders met korting in Nederland kunt reizen. Dat helpt je niet bij de aanbieding van NS. Die vindt kennelijk dat hun aanbieding van € 39 op zich al aardig genoeg is. Daar hebben ze op zich ook best gelijk in. Je reist voor dat bedrag 650 km, ofwel voor € 0,06 per kilometer (met zitplaatsreservering € 0,074). Als je met twee personen reist, heb je daar zelfs met de huidige lage benzineprijzen amper de brandstof van je auto mee betaald (ANWB routeplanner rekent ruim € 155), laat staan verdere kosten.

Toch, het kan goedkoper. De Duitse spoorwegen hebben namelijk voor trajecten binnen Duitsland aanbiedingen die flink onder de internationale prijzen zakken, zeker als je met meer tegelijk reist. Een enkele reis voor twee (!) personen van Bad Bentheim naar Berlijn kost namelijk € 49. Je kunt dit ticket heel eenvoudig op internet boeken, ook in Nederland. Je moet dan vervolgens natuurlijk wel naar Bad Bentheim reizen. Met een Dalvrij abonnement kost dat € 6 per persoon enkele reis. Het totaal van een reisje naar Berlijn komt dan op € 110, zonder zitplaatsreservering. De kilometerprijs zakt dan nog eens fors, namelijk naar een goeie € 0,042 (en wat meer als je de zitplaatsresevering meerekent), met z’n tweeën € 0,085. Daar kan de auto echt niet meer tegenop. Dat geldt in dit geval ook voor de reistijd. In Nederland heeft de trein veel weg van een stoptrein (traag, geen internet), maar in Duitsland wordt echt snelheid gemaakt en dat merk je. Van mijn woonplaats, Woerden, naar Berlijn kom je ergens uit op de 6,5 à 7 uur. De routeplanner van de ANWB geeft voor die reis per auto een ruime 6 uur.

Als je wilt, kun je nu nog wat verder met tarieven en mogelijkheden spelen. Op het Duitse traject kost een 1e klas kaartje voor twee personen bij tijdig boeken € 69. Dat is dan ook nog eens inclusief de zitplaatsreservering, waardoor het verschil met het 2e klas ticket – als je de zitplaatsreservering bij koopt – heel beperkt is: € 11. Verder is het denkbaar dat je in Hannover overstapt op de ICE, de supersnelle Duitse intercity’s. Je moet dan dus wel een extra keer overstappen, maar daar krijg je dan ook de nodige extra luxe voor, zeker in de 1e klas. Bovendien ben je een kwartier eerder op je eindbestemming. Als je geluk hebt, kost dat alles niets extra’s, behalve de overstap en het wachten op een winderig perron dan. Met wat puzzelen krijg je op deze manier voor minder geld in verschillende opzichten meer waar. Bij nader inzien valt de op het oog zo aardige aanbieding van NS International eigenlijk gewoonweg tegen.

 

Geplaatst in Alles, Overig | Reacties uitgeschakeld voor Puzzelen met tarieven

Stokkende mobiliteit predikanten?

Ruim een jaar geleden publiceerde het Mobiliteitsbureau van de Protestantse Kerk een onderzoek waaruit zou blijken dat de mobiliteit van predikanten aan het stokken is. Om uiteenlopende redenen blijven predikanten waar ze staan. Ze zijn niet of minder ontvankelijk voor een beroep naar een nieuwe standplaats. Onder meer in Christelijk Weekblad plaatste ik vraagtekens bij de basis voor de aanname. Inmiddels lijkt het er op dat het Mobiliteitsbureau wel eens gelijk zou kunnen krijgen, al valt dit gelijk mijns inziens nog steeds niet af te leiden uit de indertijd gepubliceerde cijfers. Van verschillende kanten hoor ik dat er nauwelijks gereageerd wordt op advertenties met predikantsvacatures, ook niet als het gaat om vacante plaatsen in het geliefde Midden of Westen van het land. Het houdt geregeld met een handvol reacties op. Tegelijk zie ik de laatste weken ineens in een aantal plaatsen proponenten, beginnende predikanten, beroepen worden. Tot voor kort kwamen die veel moeilijker aan het werk, vermoedelijk omdat ze voor een kerkelijke gemeente even duur waren als een predikant met ervaring. Anders gezegd: voor hetzelfde geld kon een gemeente ‘meer’ predikant krijgen, al heeft een beginnende predikant door zijn frisheid ook een eigen charme. Het lijkt erop dat de proponenten nu de plekken innemen die de gesettelde predikanten open laten. Bij dit alles moet ik wel de kanttekening plaatsen dat het beroepingswerk meer variatie kent dan het werken met advertenties. Tal van gemeenten doen het nog steeds op de beproefde manier, door zelf contact te zoeken met van verschillende kanten aanbevolen predikanten. Ook dan valt me op dat in ieder geval op dit moment weinig ‘gevestigde’ predikanten verkassen.

Twee vragen stellen zich als het ware vanzelf. Hoe gaat dit verder? En: is het erg, zoals het verder gaat? Om met het eerste te beginnen. Ondanks krimp en kramp in de kerk zou het toch wel eens kunnen gaan komen van het reeds langer voorspelde predikantentekort. De kerk zal dan op een andere manier moeten voorzien in geestelijke leiding, bijvoorbeeld door meer HBO-ers, al dan niet met sacramentsbevoegdheid, in te zetten. Erg hoeft dat op zich niet te zijn. Het geeft de kerk als geheel financieel wat lucht: het moet over het geheel genomen financieel mogelijk blijven het bestaande predikantencorps te blijven betalen. De druk op ‘zittende’ predikanten zal daardoor in dit opzicht wat af kunnen nemen. Zij zullen, als ze dat willen, makkelijker van standplaats kunnen wisselen. De vraag van gemeenten blijft gelijk, of neemt zelfs wat toe, het aanbod van predikanten neemt af. Tegelijk is het niet ondenkbaar dat de werkdruk op predikanten toeneemt: met minder mensen moet dezelfde hoeveelheid werk worden gedaan, zeker als geen hulpkrachten van elders – zoals de genoemde HBO-ers – worden ingezet. Alles bij elkaar zal er mee gerekend moeten worden, dat er een zekere braindrain plaats vindt: minder academisch gevormde predikanten, minder tijd voor predikanten om de academische vorming op niveau te houden. De een zal dat geen punt vinden: zeg maar gewoon waar het op staat. Een ander ziet zeker op termijn de kerk verzwakken. We moeten mee kunnen blijven komen in een maatschappij die voortdurend verandert. De kerk moet in het licht van het Woord dat haar is toevertrouwd in rapport kunnen blijven met de tijd.

Geplaatst in Alles, Gemeente, Overig | Reacties uitgeschakeld voor Stokkende mobiliteit predikanten?

OV-flipkaart

In de trein van Utrecht naar Woerden geeft een vrouw van middelbare leeftijd haar OV-chipkaart desgevraagd ter controle aan de conducteur. Die schudt zijn hoofd. ‘Mevrouw, u heeft in Woerden ingecheckt, maar niet in Utrecht.’ De vrouw reageert met het nodige onbegrip: ‘Ik heb net mijn moeder uit Zwolle in Utrecht opgehaald. Op de deur van de trein staat “Denkt u aan het uitchecken? Behalve als u verder reist met NS.” Ik kwam uit Woerden en dacht dus dat ik niet hoefde uit te checken. Ik reis immers vérder met NS en ga weer terug naar huis, samen met mijn moeder.’ De conducteur zucht diep en begint uit te leggen. De zoveelste die niet begrijpt hoe de kaart werkt die het voor iedereen makkelijker zou maken … .

Geplaatst in Overig | Reacties uitgeschakeld voor OV-flipkaart

Een kerkgenootschap is meer dan een kerk

Kerkgenootschap

Kerkgenootschap is voor ons gevoel een ouderwets woord. In het dagelijks leven komen we het nauwelijks tegen. Als het al gebruikt wordt, dan wordt meestal iets bedoeld als de organisatie van een kerk, of gewoonweg kerk. We kunnen in het woord iets horen van het Duitse Genossenschaft. Dat is niet zo gek, want in het Nederlands ligt de betekenis oorspronkelijk onder meer in de sfeer van vereniging en gemeenschap. Het is in dit verband alleszins begrijpelijk dat iemand als Thorbecke (1798-1872) de kerk in feite zag als vereniging en het kerkrecht als verenigingsrecht wenste te classificeren. Hij was de enige niet (zie voor een handzaam overzicht van de verschillende opvattingen: P.T. Pel, Geestelijken in het recht. De rechtspositie van geestelijke functionarissen in het licht van het eigen recht van kerken en religieuze gemeenschappen in de Nederlandse rechtsorde (Boom: 2013), p. 110-116). Nu lijken sommige kerkgenootschappen sterk op verenigingen – met name congregationalisten met hun doorslaggevende stem voor de gemeente. Andere staan er met hun hiërarchische structuur welhaast haaks op. Denk daarbij in het bijzonder aan de Rooms-Katholieke Kerk. Abraham Kuyper, de voorman van de Doleantie (1886) die mede leidde tot het ontstaan van de Gereformeerde Kerken in Nederland (1892), gebruikte kerkgenootschap als scheldwoord. Het Nederlandsch Hervormde Kerkgenootschap, zoals de Nederlandse Hervormde Kerk toen heette, was voor hem geen echte kerk. Zij had zich in zijn opvatting losgemaakt van de Gereformeerde Kerken die uit de Nederlandse Reformatie waren voortgekomen. Juridisch heeft het woord desalniettemin stevig wortel geschoten, zoals blijkt uit de Grondwet van 1848 en de Wet op de kerkgenootschappen van 1853.

Burgerlijk Wetboek

De wet verleent in art. 2: 2 van het Burgerlijk Wetboek aan kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij verenigd zijn, rechtspersoonlijkheid. Bij kerkgenootschap is de associatie met christelijke kerk gauw gemaakt. Dat is niet terecht. In ons land kennen we sinds 1814 ook het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap. Dat wijst er al op dat met kerkgenootschap niet per se een kerk wordt bedoeld. Ook andere religieuze bewegingen kunnen een kerkgenootschap vormen. Dat doen ze vaak niet, vermoedelijk vanwege de associatie met het christendom. Moskeeën bijvoorbeeld hebben zich vaak georganiseerd met/in verenigingen of stichtingen. Naar de letter van de wet kunnen zij echter in plaats daarvan ook kiezen voor de rechtspersoon kerkgenootschap. Omdat het aantal niet-christelijke geloofsgemeenschappen groeit, is het woord kerkgenootschap eigenlijk niet meer toereikend. De eerder aangehaalde Pel doet daarom het voorstel de redactie van art. 2: 2 Burgerlijk Wetboek te wijzigen en te spreken van ‘kerkgemeenschappen en religieuze gemeenschappen’ (p. 134). Pel wil de christelijke kerk met het woord kerkgemeenschap een aparte plaats geven. Als het nog eens van een wijziging komt, is de kans echter groot dat volstaan zal worden met ‘religieuze gemeenschappen’. Onder dat ene begrip vallen immers ook de christelijke kerken. Zolang het zover nog niet is, is de kans op misverstanden en zelfs rechtsonzekerheid groot, zo mag ook uit het volgende voorbeeld blijken.

Onduidelijke Kamervragen

De 2e Kamerleden van de PvdA, Groot en Marcouch hebben in juni van dit jaar aan de Staatssecretaris van Financiën enkele vragen gesteld over de uitzonderingspositie die kerkgenootschappen hebben gekregen in de voorwaarden voor een zgn. ANBI-status. Donateurs van instellingen met een ANBI-status kunnen hun giften doorgaans tenminste voor een deel aftrekken van de belasting. Een van de voorwaarden per 1 januari 2014 is dat deze instellingen – kortweg ook wel ANBI’s genoemd – een aantal gegevens op internet dienen te publiceren. Om bepaalde redenen hebben kerkgenootschappen van deze verplichting uitstel gekregen tot 1 januari 2016.

De beide Kamerleden vragen om te beginnen naar de bekende weg. Klopt het dat kerkgenootschappen deze uitzonderingspositie hebben gekregen? Ze hadden dat kunnen lezen in de Uitvoeringsregeling Algemene Wet Rijksbelastingen 1994 die een jaar geleden al in de Staatscourant is gepubliceerd. De Staatssecretaris antwoord bevestigend.

De volgende vraag is of het juist is ‘dat organisaties van andere geloofsrichtingen, zoals moskeeën, wel per 1 januari 2014 aan de nieuwe voorwaarden moeten voldoen?’ En: of de Staatssecretaris bereid is ‘ook andere geloofsrichtingen tot 1 januari 2016 de tijd te gunnen (…)?’ De Staatssecretaris antwoordt na wat uitleg over het hoe en wat van de uitzondering voor kerkgenootschappen: ‘Dat betekent dat bijvoorbeeld ook moskeeën tot 1 januari 2016 de tijd hebben.’

Onduidelijke antwoorden

De vraag is wat de Staatssecretaris nu precies bedoelt, hoewel ook gevraagd kan worden wat de vragenstellers precies bedoelen. Moskeeën hebben namelijk vrijwel nooit de rechtspersoon kerkgenootschap, maar meestal rechtspersoonlijkheid als vereniging of stichting. Bedoelt de Staatssecretaris desalniettemin dat álle moskeeën uitstel krijgen tot 1 januari 2016 of alleen degenen die rechtspersoonlijkheid hebben als kerkgenootschap? Dan kan het nog knap ingewikkeld worden wie wel en wie niet recht heeft op uitstel. Door de verplichting voor kerkgenootschappen om zich in te schrijven in het handelsregister is glashelder wat een kerkgenootschap is en wat niet. De definitie in de regelgeving over de publicatieplicht was daarmee helder: het was mogelijk exact vast te stellen wie voor uitstel in aanmerking komt.  Dat is anders als nu ook bepaalde verenigingen en stichtingen aanspraak kunnen maken op dit uitstel. Vele verenigingen en stichtingen hebben een religieuze grondslag. Sommige, zoals zij die verbonden zij met een moskee, kunnen wachten tot 1 januari 2016. Maar hoe zit het precies met de rest, niet verbonden met een moskee? Het heeft er veel van weg dat als ze de trekken hebben van een kerkgenootschap, dat ze dan wel mogen rekenen op coulance van de Belastingdienst. Anders niet. Dit betekent dat de Belastingdienst moet vaststellen of er wel of niet sprake is van de trekken van een kerkgenootschap. Dat lijkt me onwenselijk.

Conclusie

Gelet op de ontwikkelingen in de samenleving lijkt het me verstandig dat de wetgever zich bezing op een nieuwe redactie van art. 2: 2 Burgerlijk Wetboek. Een kerkgenootschap is meer dan een kerk. Dat is echter een nuance die in de hedendaagse samenleving niet meer wordt verstaan.

Geplaatst in Alles, Kerk en recht, Overig | Reacties uitgeschakeld voor Een kerkgenootschap is meer dan een kerk

Trage treinen

CDA-kamerlid Sander de Rouwe pleit in een motie voor een snellere treinverbinding naar het Noorden, zo lees ik in Trouw van vrijdag 22 augustus. De reistijd duurt nu, net als pakweg veertig jaar geleden, lang. Op Zwolle-Leeuwarden kost de reis per snelste verbinding nu 54 minuten, in de zomer van 1974 waren dat er 61. Voor Zwolle-Groningen is het verschil minder spectaculair, tegen 57 minuten nu staan er 61 toen. Dat verschil in versnelling over een vergelijkbaar aantal kilometers laat zich verklaren uit het feit dat in 1975 de spoorverdubbeling tussen Wolvega en Steenwijk een feit werd, waardoor aan de enkelsporige bottleneck tussen deze twee plaatsen een einde kwam. Het beeld lijkt nu nog relatief gunstig. Dat verandert als ik kijk naar de relatie tussen Utrecht en het Noorden. De gemiddelde snelste verbinding van Utrecht naar Leeuwarden kostte de reiziger in 1964 nog 142 minuten, in 1974 was dat 117 minuten, anno 2014 door de lange haltering in Zwolle met 117 minuten precies evenveel. Het tijdsverschil tussen 1964 en 1974 laat zich voor een belangrijk deel verklaren uit het feit dat in het eerste jaar tussen Zwolle en Leeuwarden alleen maar stoptreinen reden, terwijl tien jaar later de intercity zijn intrede had gedaan.

De problematiek van de veelal nog altijd trage trein doet zich niet alleen in het Noorden voor. Het is een structureel probleem, zelfs in de Randstad. In 1964 kostte het 35 minuten om de 34 km van het traject Leiden-Woerden per trein af te leggen. Tien jaar later, in 1974, was dat 30 minuten. De actie Spoorslag 70 van de NS heeft in de dienstregeling duidelijk zijn sporen achter gelaten. Anno 2014 bedraagt de reistijd echter 32 minuten. Die is dus in veertig jaar tijd niet omlaag, maar omhoog gegaan. In omgekeerde richting is de verschuiving nog scherper: 1964: 35 minuten; 1974: 27 minuten; 2014: 32 minuten. De reis van Woerden naar Leiden duurt op dit moment ruim 18% langer dan in 1974, met hetzelfde aantal stops. Toen was het een stoptrein, tegenwoordig heet het een Intercity. Vermoedelijk is het over 34 km met gemiddeld net geen 64 km p/u de traagste van ons land.

Wie de voorzieningen voor het autoverkeer hiernaast legt, moet constateren dat de NS met dit soort cijfers amper kan concurreren. Binnen de bebouwde kom is het verkeer in veel gevallen drukker en daarmee trager geworden. Van Woerden naar Leiden en omgekeerd heeft de automobilist door de aanleg van de vierbaanse N11 daarentegen vrij baan gekregen. Dat was veertig of vijftig jaar geleden wel anders, toen hij zich tussen Bodegraven en Leiden door een reeks van kleine en grotere dorpen als Zwammerdam, Alphen en Koudekerk heen moest wurmen.

Wie naar onze oosterburgen kijkt, moet constateren dat de NS in allerlei opzichten steeds verder achterlopen. In de jaren ’70 maakte de NS een enorme sprong vooruit, maar sindsdien is er weinig meer gebeurd. In Duitsland daarentegen is het deels achtergebleven spoorwegnet van toen sterk gemoderniseerd en zijn op tal van trajecten grote tijdswinsten geboekt. In Nederland hebben we kennelijk gedacht dat in de jaren ´70 de slag wel voorgoed was gemaakt.

Het is jammer dat De Rouwe zijn motie beperkt tot de verbinding tussen de Randstad en de Noordelijke provincies. Er is alle aanleiding de blik te verbreden tot de snelheid van de Nederlandse trein in het algemeen.

Deze bijdrage is in verkorte en bewerkte vorm op dinsdag 26 augustus 2014 geplaatst op de opiniepagina van Trouw.

Geplaatst in Alles, Overig | Reacties uitgeschakeld voor Trage treinen

De voedselcyclus in het evangelie van Matteüs

Matteüs kent twee versies van de zogenaamde broodvermenigvuldiging (14: 13-21 en 15: 29-39). Daarin is hij niet de enige evangelist. Dat wist ik. Ook wist ik dat beide in de getallen – aantallen aangeleverde broden, aantallen opgehaalde resterende brokstukken, aantallen aanwezigen – verschillen. Verder wist ik dat dat wel eens te maken kan hebben met de episode waarin Jezus in de streek van Tyrus en Sidon een Kanaänese vrouw ontmoet (15: 21-28). Daar verschuift de focus van Jezus’ optreden, van het volk Israël naar de hele wereld, of subtiel anders, maar wel correcter: in het volk Israël naar de hele wereld. Bij de tweede broodvermenigvuldiging komt ineens het getal ‘vier’ op, in de vierduizend mannen die in de gave van het brood hebben gedeeld. Dat getal staat in de Bijbel meer dan eens voor de vier windstreken, het element van wereldwijd.

Maar genoeg hierover. Toen ik in de voorbereiding van de dienst voor zondag aanstaande met het oog op de gekozen tekst (16: 1-12) nog eens verder keek, viel me iets anders op. In 13: 1 t/m 16: 12 komen verschillende aspecten van de voedselcyclus naar voren. Het begint met zaaien en oogsten (13: 1-32 en 36-43). Als het graan geoogst is, gemalen, enzovoort, komt het in aanmerking om er brood van te maken, naar de toenmalige methoden met zuurdesem (13: 33, maar ook 16: 1-12). Als dat klaar is, kan ervan worden gedeeld (14: 13-21). Op zinnebeeldige wijze wordt vervolgens verteld dat de boodschap van Jezus onder sommige gezaghebbende groepen als Sadduceeën en Farizeeën dood lijkt te lopen. Jezus stelt hun handelwijze ten aanzien van het onderscheid tussen rein en onrein in het eten onder kritiek en stelt heel direct: ‘Zien jullie dan niet in dat alles wat de mond ingaat in de maag terechtkomt en in de beerput weer verdwijnt? Wat daarentegen de mond uitgaat komt uit het har, en die dingen maken een mens onrein. Want uit het hart komen boze gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster. Dat maakt een mens onrein, niet eten met ongewassen handen’ (15: 17-20). Daarop begint het verhaal als het ware opnieuw. De Kanaänese vrouw pleit erbij Jezus voor dat als de honden mogen delen in de kruimels (!, opnieuw de beeldspraak van het brood, 15: 26-27), zij daar ten aanzien van het heil voor Israël toch ook op mag rekenen. Zoals hiervoor aangegeven loopt deze gebeurtenissen vloeiend over in nóg een broodvermenigvuldiging. Dit wordt dan afgesloten met 16: 1-12, waar Jezus de thema’s van zuurdesem en brood nog eens concluderend bij elkaar brengt.

Op zich is het in een agrarische samenleving waarin een belangrijk deel van tijd en aandacht is gericht op het vergaren van voldoende eten, niet vreemd dat Jezus de verschillende aspecten van de voedselcyclus in Zijn onderricht zozeer centraal zet. Toch lijkt meer dan dit gegeven voor Matteüs de aanleiding te vormen dit gegeven uit het onderricht van Jezus voor het voetlicht te halen. Hij kiest er namelijk voor een en ander in een zekere samenhang bij elkaar te plaatsen. Ik vermoed dat andere theologen zich ook al eens over dit verschijnsel hebben gebogen. Ik sloeg de ‘oude’ structuralist Johannes Wilkens, Der König Israels I (Berlin 1934), er nog eens op na. Hij laat het tweede deel van het Matteüs-evangelie beginnen bij 11: 25 en eindigen bij 16: 20 onder de titel ‘Die Wirkung des Christuswerks “zu jener Zeit”‘. Dat begint met de woorden ‘In die tijd zei Jezus ook: “Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld.”‘ (11: 25). Vlak daarna wordt de thematiek van het eten ingeleid met de aren plukkende discipelen op sabbat (12: 1-8). Nog veel sterker dan ik eerder voor ogen had, werkt Jezus Zijn zending uit met dat wat ‘eenvoudige mensen’ vanuit hun dagelijkse werken en ploeteren kennen: de strijd om het dagelijks brood.

Geplaatst in Overig | Reacties uitgeschakeld voor De voedselcyclus in het evangelie van Matteüs

Puzzelen met de kerkorde

De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland kent tal van bepalingen. Daar kun je op verschillende manieren naar kijken. Zijn ze begrijpelijk, bruikbaar, passen ze in het systeem? Zo zijn er vele vragen te stellen. Ik haal in dit blogartikel één artikel voor het voetlicht dat niet direct duidelijk is. Het is ordinantie 4-6-5: ‘Wanneer de helft van het aantal ambtsdragers of ontbreekt of buiten functie is, bepaalt het breed moderamen van de classicale vergadering na overleg met de nog functionerende ambtsdragers (…) op welke wijze de in de ordinanties genoemde taken kunnen worden verricht.’ Deze bepaling staat in ordinantie 4, die handelt over de ambtelijke vergaderingen. Ze maakt onderdeel uit van de tweede afdeling, waar het gaat over de kerkenraad. Artikel 6 van de ordinantie regelt de samenstelling van de kerkenraad. In mijn gedrukte versie (2013) is er met de nummering van de leden van het artikel wat mis gegaan. Het lijkt te vallen onder lid 3a en heeft dan als sublid de letter b. De internetversie van de kerkorde op www.pkn.nl laat zien dat het  lid 5 moet zijn.

Bij eerste lezing

Bij een eerste, oppervlakkige lezing is duidelijk dat ordinantie 4-6-5 een voorziening bedoelt te geven voor die situaties waar de samenstelling van de kerkenraad niet in overeenstemming is met het aantal dat (in de plaatselijke regeling) is vastgelegd. Dat kan allerlei oorzaken hebben. Het lukt de kerkenraad eenvoudigweg niet meer om alle plekken gevuld te krijgen. Maar het kan ook om een noodsituatie gaan, waarin een flink deel van de kerkenraad aftreedt en er dus zelfs geen basis meer is om rechtsgeldig nieuwe ambtsdragers te benoemen. Bij de eerste lezing valt nog iets op: ‘Wanneer de helft (…) ontbreekt’. Dat suggereert dat alleen als exact de helft ontbreekt, de bepaling in werking treedt. Dat zou betekenen dat in alle gevallen waarin de plaatselijke regeling een oneven aantal ambtsdragers telt, de bepaling niet in werking kan treden. Immers, het kan nooit zo zijn dat exact de helft ontbreekt. Maar ook bij een even aantal stuit ik op een probleem. Wat nu als meer dan de helft ontbreekt? Mag het breed moderamen van de classis dan niet ingrijpen?

De kerkorde zelf helpt niet verder. Het woordje ‘helft’ komt slechts op een andere plaats voor (ordinantie 4-5-4, zie hieronder), maar daar is met ’tenminste de helft’ de bedoeling glashelder. Er zijn enkele bepalingen met een getalsmatig ‘minder’, bijvoorbeeld ‘minder dan’ zoals in ordinantie 3-26-3 en 4-6-4, of ‘meer dan’, zoals in ordinantie 2-5-2 en 2-16-1. In al die gevallen is de bedoeling duidelijk.

Nadere lezing en uitwerking

In een geval als dit wil het naslagwerk Toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland (Zoetermeer: Boekencentrum 2013) onder redactie van P. van den Heuvel nog wel eens een hint bieden. Daar lees ik op p. 176 als uitleg: ‘minder dan de helft van het reguliere aantal ambtsdragers is nog aanwezig of in functie.’ De Toelichting is gezaghebbend, maar klopt dit? Deze interpretatie wijkt wel erg ver af van de kerkordetekst. Willen we recht doen aan ‘Wanneer de helft (…) ontbreekt’, dan zou er in de interpretatie toch iets moeten staan als ‘de helft of minder’. Bij een oneven aantal kerkenraadsleden betekent dat het volgende. Stel er zouden er 13 moeten zijn. Er zijn nog 6 in functie. In dat geval kan gezegd worden dat de helft (6,5) ontbreekt of buiten functie is. Het is in dit geval alleen meer dan de helft (6,5 + 0,5 = 7), maar met wat goede wil kunnen we blijven volhouden ook dan de helft ontbreekt. Spannender wordt het bij een even aantal ambtsdragers. Stel er zouden er 14 moeten zijn. Er zijn nog 7 in functie. In dat geval wordt exact voldaan aan de bepaling: de helft ontbreekt. Het lijkt erop dat de zaak daarmee klip en klaar is. Toch zit hier naar mijn overtuiging nog een addertje onder het gras. Ordinantie 4-5-4 bepaalt ten aanzien van de besluitvorming van kerkelijke lichamen als de kerkenraad: ‘Geen besluiten kunnen worden genomen indien niet ten minste de helft van het aantal leden zoals dit voor het kerkelijk lichaam is vastgesteld, ter vergadering aanwezig is.’ Vertaald naar de situatie waarin 7 van de 14 kerkenraadsleden in functie zijn: als deze 7 leden alle op de vergadering verschijnen, kunnen rechtsgeldige besluiten worden genomen. Er is dus strikt genomen geen aanleiding voor het ingrijpen van het breed moderamen van de classis. De kerkenraad kan, zij het ternauwernood, in beginsel nog steeds alle benodigde besluiten nemen. Welke regel gaat nu voor? Die van ordinantie 4-5-4 waar de wil van de kerkenraad in deze situatie wet is, of die van ordinantie 4-6-5 die het breed moderamen de bevoegdheid geeft de kerkenraad te overrulen? Het recht heeft voor situaties als deze de regel dat de lex specialis, de bijzondere regel, vóór de algemene gaat. De bijzondere regel heeft dan betrekking op de bijzondere situatie dat de helft van de ambtsdragers ontbreekt of niet in functie is. Die schuift de algemene regel over de besluitvorming terzijde, al stelt het genoemde handboek van Van den Heuvel dat het breed moderamen deze ambtsdragers ‘als regel zoveel mogelijk inschakelen’ zal (p. 176). Een en ander neemt niet weg dat ik de vraag zou willen stellen of ordinantie 4-6-5 wel als een specialis van 4-5-4 beschouwd kan worden. Het gaat om heel verschillende zaken, om samenstelling, respectievelijk besluitvorming.

Wetsgeschiedenis

Om een vollediger beeld te krijgen ben ik vervolgens in de wetsgeschiedenis van ordinantie 4-6-5 gedoken. In de eerste openbare versie van de kerkorde van de Protestantse Kerk (Ontwerp-ordinanties behorende bij de ontwerp-kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, 1997), lees ik: ‘Wanneer het aantal ambtsdragers zodanig is gedaald dat het de kerkenraad niet mogelijk is alle in de ordinanties aangegeven taken te verrichten, bepaalt het breed moderamen van de classicale vergadering (…) op welke wijze in dit manco zal worden voorzien.’ Bij de behandeling werd van verschillende kanten gevraagd om concretisering. Wanneer is het aantal ambtsdragers nu zodanig, dat moet worden ingegrepen?

Iemand verwees indertijd naar de Hervormde kerkorde. Daar was in onder meer ordinantie 1-3-6 geformuleerd: ‘Indien meer dan een derde van het aantal ambtsdragers, dat de kerkenraad (…), ontbreekt of tijdelijk buiten functie is, delegeert (…) het breed moderamen der classicale vergadering’.  Dit aantal correspondeerde met het quorum dat een kerkenraad met ten hoogste 15 leden – N.B. voor grotere kerkenraden golden andere regels – volgens ordinantie 1-21-10 van de Hervormde kerkorde nodig had voor een rechtsgeldig besluit. In de Hervormde kerkorde liepen de bepalingen over samenstelling en besluitvorming voor kleine en middelgrote kerkenraden wat dit betreft dus gelijk op. Het lijkt ook de eerder geciteerde interpretatie in de Toelichting op de kerkorde beïnvloed te hebben. Deze is van de van oorsprong Hervormde P. van den Heuvel. In de Hervormde kerkorde was het ‘meer dan een derde’, ofwel minder dan tweederde. Dat lijkt hij een op een te hebben overgezet op de vergelijkbare bepaling uit de Protestantse kerkorde.

Genoeg hierover. Terug naar de wetsgeschiedenis van ordinantie 4-6-5 in de Protestantse kerkorde. In een vrij laat stadium, 2002, is de oorspronkelijke bepaling gewijzigd in de huidige. Afgezien van de wens om de oorspronkelijke bepaling te concretiseren, valt er helaas weinig te vinden over de wijze waarop ze gelezen dient te worden.

Conclusies

Als ik het geheel overzie, dan kom ik ten aanzien van de bepaling van ordinantie 4-6-5 tot het volgende.

  • De formulering van deze ordinantie 4-6-5 is de enige in zijn soort in de kerkorde.
  • In deze bepaling zal ‘de helft’ gelezen moeten worden als ‘de helft of minder dan de helft’.
  • De bepaling kan in strijd komen met ordinantie 4-5-4. In dat geval zal doorgaans worden aangenomen, dat ordinantie 4-6-5 als lex specialis voorrang zal hebben. Daarbij zijn echter vragen te stellen.
  • De wetsgeschiedenis laat zien dat beide artikelen ooit met elkaar samen hingen: in de Hervormde kerkorde correspondeerde de inhoud van beide artikelen met elkaar.
  • In de ontstaansgeschiedenis van de kerkorde van de PKN heeft men de samenhang losgelaten, al dan niet bewust.
  • Dit neemt niet weg dat zeker in kleine gemeenten zelfs met inachtneming van ordinantie 4-5-4 de basis voor besluiten klein is. Neem een kerkenraad met het kerkordelijk minimum van 7 leden. Er zijn 4 aanwezig: voldoende voor besluiten, maar de basis is wel erg smal.
  • De ratio van de Hervormde kerkorde om voor kleine en middelgrote kerkenraden voor besluitvorming het minimum aantal in functie zijnde leden op tweederde te stellen is daarom alleszins begrijpelijk. Bij het kerkordelijk minimum van 7 leden zou dat 5 zijn.
  • In de Protestantse Kerk worden ondanks schaalvergroting op het niveau van (wijk)gemeenten kerkenraden snel kleiner. Het risico voor een zeer smalle basis voor ingrijpende besluitvorming is daarmee, ondanks de verdere waarborgen die de kerkorde voor de Protestantse Kerk nu anders dan de Hervormde kerkorde voorheen biedt (zoals met name het verplichte kennen en horen van de gemeente in een specifiek aantal gevallen), snel groter aan het worden.
  • Op grond van het voorgaande verdient het overweging in ieder geval de redactie van ordinantie 4-6-5 te herzien.
  • Daarbij dient tevens overwogen te worden zeker voor kleine en middelgrote gemeenten de grens op te trekken van ‘de helft of minder dan de helft’ tot ‘minder dan tweederde’.
  • Dit kan ordinantie 4-5-4 onverlet laten. Vanwege de helderheid van de regelgeving verdient het echter aanbeveling de normen van beide bepalingen op elkaar aan te laten sluiten.
Geplaatst in Alles, Gemeente, Kerk en recht, Overig | Reacties uitgeschakeld voor Puzzelen met de kerkorde

De woongroep als metafoor van de samenleving

Ik weet niet meer precies waar, maar ergens las ik dat Franca Treur in haar tweede roman De woongroep een rake typering geeft van de hedendaagse samenleving. Dat was voor mij als predikant in de voorhoede van die samenleving, Leidsche Rijn, aanleiding het boek te lezen. Het debuut Dorsvloer vol confetti waar Treur veel furore mee maakte, ken ik alleen van horen zeggen, uit recensies en interviews. Het gaat mij in deze blog niet zozeer om deze roman als literair verschijnsel. Daar mogen anderen over oordelen. Ik richt me vooral op het gedachtegoed dat deze roman aanreikt. Ik verklap een deel van de plot. Wie het boek dus nog lezen wil en dat onbevangen wil doen, kan het beste hier stoppen.

Een woongroep is een mooie metafoor van de samenleving. Het zou ook een straat of een klein wijkje hebben kunnen zijn. Mensen wonen samen. Ze doen een aantal dingen gezamenlijk. Tegelijk binden ze zich niet. Als het zo uitkomt, gaan ze hun eigen gang. In De woongroep gaat het in ieder geval zo toe, zonder al te veel plichtplegingen. Enerzijds zijn er wel een aantal regels en verwachtingen. Anderzijds leeft ieder voor zich. Je proeft de teleurstelling die dat bij de hoofdpersoon Elenoor oplevert. Langzamerhand wordt haar duidelijk dat de (linkse) idealen waar de groep voor staat eigenlijk niets voorstellen. Ze worden letterlijk door een buitenstaander – een vroegere bewoonster die nu in het buitenland woont en werkt – gevoed. De groep doet er nog wat mee, maar uit een vaag gevoel van verplichting. Gaat het bij veel overtuiging en religie vaak niet zo? Het verhaal roept de suggestie op dat dat een wezenskenmerk is van overtuiging en religie. Het is een lege huls. Maar: wat bindt deze mensen dan wel? In de praktijk niet heel veel meer dan dat ze dicht bij elkaar wonen. Er is wel een soort van hunkering te bespeuren om samen te leven. Het lukt echter nauwelijks om écht tot elkaar te komen. Elk gaat zijn eigen weg.

Ik had gehoopt in De woongroep prikkelende gedachten tegen te komen die tenminste een uitweg suggereren. Helaas heb ik die niet of nauwelijks gevonden. Elenoor breekt in het begin van het boek uit haar relatie. Ze maakt een statement door niet te gaan samenwonen met haar vriend maar te verhuizen naar een woongroep. Ze gaat het anders doen. Toch, uiteindelijk kiest ook zij voor huisje-boompje-beestje. Deze alledaagse, voorspelbare uitkomst wordt onderstreept door andere obligate gebeurtenissen. Zo komt een verdwaalde, tijdelijk inwonende huisgenote terecht bij Elenoors overspelige schoonvader. Diens contante, zwarte geld komt door een ongelukkig toeval in handen van een zwerver. Het heeft allemaal een hoog Bouquet-gehalte. Hoe het allemaal op de in feite oude pootjes terecht komt, werkt Franca Treur deze gang van zaken slechts in beperkte mate uit. De mens blijft met zichzelf en op zijn best met degene die hij liefheeft over. Het ideaal verdampt. Of anders: de realiteit van het ideaal is dit, niet meer, niet minder. Het boek was oorspronkelijk aangekondigd met de titel Het nieuwe vuur. Terecht is daarvan afgezien. Er is nu juist geen nieuw vuur.

Na het lezen van deze roman kom ik niet heel veel verder dan: het is, zoals het is. Dat is het enige wat zeker is. Dat is op zich een legitieme conclusie. Het Bijbelboek Prediker wijst ons een vergelijkbare richting. Afgezien van de religieus-gelovige dimensie heeft dat voor mij in zijn worstelen en zoeken echter veel meer diepgang. Inderdaad, ik vind De woongroep teleurstellend. In Dorsvloer vol confetti neemt Franca Treur afscheid van het geloof waarin ze is opgevoed. Voor zover De woongroep een autobiografisch vervolg te noemen is, is er kennelijk geen nieuwe overtuiging voor in de plaats gekomen.

Geplaatst in Alles, Kunst en cultuur, Overig, Publicaties | Reacties uitgeschakeld voor De woongroep als metafoor van de samenleving