Interactief over de grens

Zondag 6 september. We verblijven een week in de Tsjechische stad Brno, met 400.000 inwoners de tweede van het land. We hebben tevoren al eens even gekeken naar een geschikte kerk. Maar waar let je op? De taal spreken we niet, de religieuze situatie van het land kennen we amper, afgezien van het feit dat Tsjechië bekend staat als het land met het grootste aantal niet-kerkelijken in de EU. In de binnenstad is de rooms-katholieke kerk heer en meester. Daarbuiten vinden we protestantse gemeenten van verschillende snit, de meeste aangegeven met een kruis en een kelk, per denominatie aangegeven met een apart kleurtje. Grappig detail is dat Baptisten worden aangeduid met een blauw kruis dat in een aantal golfjes water staat, een directe verwijzing naar de volwassenendoop. We kiezen voor een gemeente van de CCE, een kerkgenootschap in 1918 voortgekomen uit lutheranen en gereformeerden, in een buitenwijk/voorstad: Zidenice. Het gebouw is van ongeveer 1930,
typisch voor kerkgebouwen uit deze periode. De beelden op de website suggereren een levendige, wat losse sfeer.

Židenický evangelický kostel

De dienst begint om 9.00 uur, vroeg voor onze begrippen, maar in Tsjechië geen uitzondering. De kerk vult zich langzaam. Uiteindelijk zijn er zo’n 75 mensen in een kerkzaal die er ruim het dubbele kan bevatten. De leeftijden lopen uiteen. Jongvolwassenen, gezinnen met kinderen – we tellen er een stuk of tien, vijftien – en zo
voort, alleen de groep 70+ ontbreekt eigenlijk geheel. De dienst begint zo ongeveer op tijd, maar tot wel een kwartier na aanvang blijft het wat nadruppelen met vooral jongere leeftijdscategorieën. We hebben twee voorgangers deze morgen, een man van een jaar of 60 en een vrouw die rond de 30 zal zijn. Een cadeautje en een toespraakje aan het
slot van de dienst suggereren dat de vrouw afscheid neemt. Later ontwaren we op de website dat dat inderdaad het geval is. De predikant van deze gemeente heeft een landelijke functie en deze vrouw heeft hem in de afgelopen drie jaren bijgestaan. Zij doet in deze dienst de dienst van het Woord, haar oudere collega gaat voor in de bediening van het Avondmaal dat deze gemeente elke eerste zondag van de maand blijkt te vieren.

Herkenning

We beginnen met lied 136. Dat komt ons qua melodie bekend voor. Inderdaad, het is Psalm 136. Verder zijn het in deze dienst gezangen, eigenlijk alle pittig gezongen. Voor de begeleiding is een hoofdrol weggelegd voor organist en orgel. Toch werken bij de communie ook andere muzikanten mee in een instrumentaal stuk. Uit het bord met liederen en lezingen wordt duidelijk dat het vanmorgen zal gaan over het verhaal van de Emmausgangers (Lukas 24: 13-35). De predikante is levendig en expressief. Ze pakt het interactief aan. Ze begint met de kerkgangers, schakelt ze in. Vervolgens gaat ze verder met de kinderen. Ze vertelt met hen het verhaal na. Ze gebruikt daarbij drie stilistische houten figuren die elk een van de drie hoofdpersonen uit het verhaal verbeelden. Drie kinderen krijgen elk een van de houten figuren. Het is allemaal behoorlijk verbaal, maar kennelijk voor de kinderen prima te volgen. Ze doen goed mee. Aan het slot pakt ze de drie figuren en plaatst ze op de avondmaalstafel die tegelijk kansel is. Ze plaatst de drie ‘poppen’  rond het brood, ze breekt het brood en haalt op dat moment een van de drie weg. Zo wordt heel beeldend duidelijk wat er gebeurt: Jezus breekt het brood en verdwijnt. Alleen de twee andere figuren zijn over, met het brood. Dat ontroert me, mogelijk omdat ik zo toch op een nieuwe manier naar dit verhaal kijk, besef hoe wonderlijk dit alles is, maar ook hoe dubbel: ze herkennen Hem en tegelijk is Hij er niet meer, althans niet in directe zin. Het mooie vind ik verder dat deze interactieve aanpak in de kern niet veel verschilt van wat we in Kerkboerderij de Hoef doen en wat we onder meer met de beweging Eredienst Creatief beogen.

Hierna (pas!) verlaten de kinderen de kerkzaal voor een korte eigen dienst. Een kwartier later zien we ze weer terug. Het lijkt erop dat ze alleen maar met een verwerking aan de slag zijn geweest, maar de vertelling hebben ze dan ook al in de kerkzaal gehad. Een kinderparalleldienst krijgt zo toch wel een andere kleur dan bij ons meestal het geval is. Intussen zijn we in de kerkzaal toe aan de communie. Voor mijn gevoel vallen de kinderen er zo toch wel op een wat vreemde manier in. Tegelijk overweeg ik dat in dit geval het Bijbelgedeelte al een prachtige in- en toeleiding op het Avondmaal is. De communie vindt plaats in twee achtereenvolgende kringen/groepen, voor in de kerk. De kinderen krijgen van de voorganger een zegen onder handoplegging, wat informeel vorm gegeven. Deze praktijk roept bij mij altijd weer de vraag op, of de keuze voor kinderen aan het Avondmaal in ons land internationaal gezien wel zo’n gelukkige is geweest. De zegen met handoplegging zien we elders wel vaker, kinderen aan het Avondmaal zelden.

Al met al was het een bijzondere ervaring deze zondag, vooral de onverwachte interactieve aanpak. Dat is in de kerk bepaald nog geen gemeengoed.

Geplaatst in Alles, Gemeente, Liturgie, Overig | Één reactie

Gebrek aan kennis en respect

Een mevrouw legt aan Beatrijs het probleem voor dat evangelicale mede-gelovigen haar ziekte als straf zien, vooral met haar willen bidden, maar zich er niet bij neer willen leggen zoals zij dat zelf heeft gedaan. Beatrijs reageert dan met: breken met deze mensen en hun ‘kletskoek’.

De reactie van Beatrijs getuigt van weinig kennis van en respect voor de overtuiging van deze vrouw en de gemeenschap waarin ze verkeert. Juist in evangelicale kring zijn mensen vaak sterk op elkaar betrokken. Een belangrijk deel van hun sociale netwerk bevindt zich vaak binnen de eigen gemeente. Het is daarom nogal wat om zonder enige vorm van écht begrip voor de situatie waarin deze vrouw verkeert aan te raden radicaal te breken. Zo makkelijk is het niet een nieuw netwerk op te bouwen, zeker niet als je weet dat je levenshorizon beperkt geworden is.

In de volgende alinea krijgt de vrouw zelf ook nog een trap na in de bewering dat ze tot een ‘obscure’ gemeente behoort. Ze heeft eerder wel haar ziel en zaligheid aan deze groep verbonden, ongetwijfeld bewust, dus deze kwalificatie is ook haar persoonlijk een diskwalificatie. Nog erger wordt het in het vervolg, als Beatrijs de inentingsproblematiek erbij haalt. Die speelt nu net nauwelijks in Nederlandse evangelicale kringen en is daarom misplaatst. Het relativerende ‘Wellicht’ is onvoldoende.

Dit betekent niet dat Beatrijs de vrouw geen vragen zou mogen stellen. Mijn eerste vraag zou bijvoorbeeld zijn: je wist ook in het verleden dat in je gemeente op deze manier met ziekte wordt omgegaan, hoe heb je dat gehanteerd? En: je zult vermoedelijk ook eerder gemerkt hebben dat de hechte gemeenschap gepaard gaat met een strak gehanteerd normen- en waardenpatroon waar je aan moet voldoen wil je tot de gemeenschap behoren; hoe keek je daar tegenaan? Het antwoord zou wel eens kunnen zijn: ik wist dat allemaal wel, maar het raakte mij nauwelijks direct, nu word ik me er pas echt bewust van. Mijn reactie zou uiteindelijk vermoedelijk niet eens zo heel veel verschillen van die van Beatrijs. In feite heeft de vrouw twee mogelijkheden. Binnen de huidige gemeenschap grenzen stellen, met de kans in haar ziek zijn te vereenzamen. Of een ander kerkverband zoeken, waar de houding van de vrouw ten opzichte van haar ziekte geaccepteerd wordt. Beide hebben voor- en nadelen. Beatrijs is bijzonder enthousiast over de Protestantse Kerk. Daar kan ik als predikant van die kerk alleen maar blij mee zijn natuurlijk. Tegelijk kennen de gemeenten ook daar zo hun grenzen. De geloofsbeleving van deze vrouw zou voor het overige wel eens sterk kunnen afwijken van die in een gemiddelde Protestantse Gemeente. Nog los van de acceptatie door de gemeente, zou ze zich er thuis voelen? Ik ben daar niet op voorhand zo zeker van, terwijl het deze vrouw vermoedelijk aan tijd ontbreekt om het ergens eens echt uit te proberen.

De vraag die bij deze mijmeringen nog overblijft: wat heeft bij Beatrijs geleid tot deze buitengewoon emotionele uitbarsting?

 

 

Geplaatst in Alles, Gemeente, Overig, Publicaties | Reacties uitgeschakeld voor Gebrek aan kennis en respect

Ainsi soient-ils

Ik zet de oorspronkelijke Franse titel van de serie maar boven deze blog. Het had ook de Duitse variant kunnen zijn, Dein Wille geschehe, naar de derde bede uit het Onze Vader. Beide vind ik veel spannender dan het voor ons land gekozen vlakke Churchmen. Het karakter van de titel tekent de ontvangst van de serie in ons land. Ze is door avrotros wat weggestopt op de late zondagavond. In de pers lees ik er zo goed als niets over.

Een serie over de kerk en zeker over de rooms-katholieke kerk heeft al gauw het gevaar karikaturaal te worden. Het gaat dan over de onderdrukkende kanten van de hiërarchie, de onderonsjes, de vriendjespolitiek, weggemoffeld kwaad, de mooie buitenkant. Ainsi soient-ils ontkomt daar ook niet helemaal aan. Afgelopen zondag wordt bijvoorbeeld de paus neergezet als een wat sullige oude man die aan de leiband loopt van zijn assistenten. Het is té. Maar dat wordt goedgemaakt door het grote verhaal.

Vijf jonge mannen starten aan het priesterseminarie van de capucijners (franciscanen) in Parijs. Ze hebben heel verschillende achtergronden. De een heeft in de gevangenis gezeten voor moord, een ander komt uit een rijke ondernemersfamilie die vlak voor haar ondergang staat, terwijl een volgende uit een gebroken gezin komt met een moeder die haar toevlucht zoekt bij dan de ene dan de andere minnaar. Allen gaan ervoor, maar stuk voor stuk moeten ze ervaren dat hun idealen – en de idealen van de rooms-katholieke kerk – soms stuklopen op de realiteit. Hun seksualiteit is zo’n realiteit. Gebeurtenissen uit het verleden. Maar ook familiebanden. Wat is goed? De jongen uit het ondernemersmilieu laat het familiebedrijf achter zich, ook als de problemen groeien. Zijn broer doet een hartstochtelijk beroep op zijn hulp, maar hij keert zich letterlijk af. ‘Ik heb het je gezegd.’  Zijn broer kan het niet meer aan en beneemt zich van het leven. De dilemma’s worden overigens verschillend uitgewerkt. In een andere aflevering verzet een van het vijftal zich tegen de voorgenomen abortus van zijn zestienjarige zusje, maar kiest hij uiteindelijk wel voor haar en gaat met haar mee naar de kliniek. Minder reëel is de dichtheid van deze grote thema’s in het leven van de seminaristen, maar dat is met een tv-serie voor een breder publiek bijna niet te vermijden.

Het jonge vijftal staat op verschillende momenten tegenover de oudere garde, zowel in het seminarie als daarbuiten. De ene docent heeft zich helemaal opgesloten in zijn vakgebied en stelt zich als het erop aan komt laf op. De rector is een wijs man, de ‘held’ voor alle partijen in het seminarie, maar blijkt een geheim met zich mee te dragen. Fraudeert hij? Een collega neemt het voor hem op als hij in diskrediet gebracht dreigt te worden, maar ontdekt dat er mogelijk toch wel reden is hem minder hoog te hebben dan hij altijd gedaan heeft. Opnieuw: wat is goed, blijven steunen? De rector moet zich meer dan eens afvragen, waar zijn roeping ligt. Zal hij aanblijven, of zich laten wegpromoveren naar zijn geliefde China? Soms krijgt hij christologische trekken, bijvoorbeeld als hij het vijftal een vriendelijke reprimande (foto) geeft en stelt: er komt misschien een tijd dat ik niet meer bij jullie ben … .

Ainsi soient-ils suggereert aan alle kanten het verval van de kerk. Financiële problemen. Gecorrumpeerde leiding. Een boodschap die niet meer doorkomt. Jong en oud gaan daar op verschillende manieren mee om. De ouderen proberen nog steeds er het beste van te maken, de status quo te handhaven. De jonge seminaristen zoeken met vallen en opstaan naar nieuwe wegen. Aan de ene kant weten ze maar al te goed welk instituut ze zullen dienen. Aan de andere kant blijven ze geloven, zoeken ze een levenshouding die daar bij past. Ze zijn geen heiligen, maken fouten, grove fouten soms. Juist in hun menselijkheid roepen ze compassie op. Bij hen geen fraaie buitenkant, maar veel meer binnenkant. Zo geven zij nadrukkelijker dan hun oudere voorgangers aanleiding tot hoop. Ze bieden in hun optreden een doorkijkje: zo zou het ook kunnen, kerk zijn, volgelingen van Jezus.

Geplaatst in Alles, Overig | Reacties uitgeschakeld voor Ainsi soient-ils

Hemelvaart in het nieuwe liedboek (2013)

De kerkdienst op Hemelvaartsdag is met die op oudejaarsavond aan erosie onderhevig. Bij gebrek aan voldoende kerkgangers begint hij hier en daar te verdwijnen. De achtergrond van beide dagen is heel verschillend. Hemelvaartsdag is diep in de oecumenische traditie verankerd, terwijl het samenkomen op oudejaarsdag pas twee eeuwen geleden met name in protestantse kring in zwang kwam. Ik richt me in deze blog op de Hemelvaartsdag. Een beperkt aantal kerkgangers stelt namelijk eigen eisen aan de liedkeuze. Nieuw kan natuurlijk altijd, maar het moet niet al te ingewikkeld zijn, omdat de groep klein is en het gekozen lied niet zo gauw op andere momenten in het jaar zal klinken.

De min of meer klassieke Psalmen van deze feestdag laten zich relatief eenvoudig zingen, zeker voor wie in de kerk is opgegroeid: Psalm 47 en Psalm 68(: 6).

Het ‘oude’ liedboek (1973) heeft tien gezangen in de rubriek ‘Hemelvaart’, ongeveer 2% van het totaal. In het ´nieuwe´ liedboek (2013) met twee keer zoveel liederen zijn het er in de gelijknamige rubriek acht. Dat is dus substantieel minder, zowel absoluut als relatief. Vier van de tien hemelvaartsgezangen uit het oude liedboek zijn in het nieuwe terecht gekomen, drie daarvan in de rubriek ‘Hemelvaart’, één in ‘Maaltijd van de Heer’. De laatste heeft zeker in de eerste regel een sterk Hemelvaartsmotief: ‘Gij, Jezus Christus, opgestegen tot hoogste heerlijkheid …’, maar twee van de vier coupletten zijn nadrukkelijk op het Avondmaal betrokken.

Wat is er uit het ‘oude’ liedboek verdwenen? Twee oude hymnen (226, 227), een klassieker uit de Hervormde bundel van 1938 (231: ‘Wij knielen voor uw zetel neer’), maar ook een bewerking van een gezang van Tersteegen (230: ‘Overwinnaar, grote Koning’), van Christoph Blumhardt (235: ‘In bidden en in smeken’), alsmede een van de twee liederen van de Gereformeerde predikant P.D. Kuiper (229: ‘De dag van onze Vorst brak aan’). Ik schat in dat een drietal hiervan geregeld opgegeven is: 229, 231 en 235, alle drie relatief makkelijk te zingen, zeker voor wie vertrouwd is met het klassieke kerkmuzikaal idioom.

Wat is er in het ‘nieuwe’ liedboek terecht gekomen? Van de acht stonden er een viertal ook in het liedboek van 1973: ‘Ten hemel opgevaren is’ (oud 228, nieuw 661), ‘Heer, komt in deze tijd’ (oud 233, nieuw 662), ‘Al heeft Hij ons verlaten’ (oud 234, nieuw 663). Bekend is vooral de laatste, maar deze heeft een andere, iets moeilijker melodie gekregen. Het is in ieder geval niet meer het slotlied-uit-volle-borst, zoals ik afgelopen Hemelvaartsdag tot mijn spijt moest ervaren (had ik maar beter naar de melodie gekeken …). Eén lied is uit een andere rubriek overgeheveld: ‘Om Christus’ wil zijn wij verblijd’ (oud 101 (bijbelliederen), nieuw 665), wat geliefdheid betreft naar mijn inschatting behorend tot de middenmoot.

Wat overblijft is een antifoon (661), een lied van Barnard waarvan de melodie uit het ‘oude’ liedboek stamt (oud 97, nieuw 664: ‘Naam van Jezus, nu verheven’), een van Hanna Lam en Wim ter Burg (waarvan de melodie mogelijk door Alles wordt nieuw bekend is: 666) en een bijdrage van Sytze de Vries en Willem Vogel (667). De melodie van het laatste lied is alleen al door de per couplet wisselende bindingen en splitsingen van lettergrepen lastig om aan te leren.

Het is er al met al voor voorgangers niet makkelijker op geworden op basis van het nieuwe liedboek een qua muzikale moeilijkheidsgraad evenwichtige dienst op Hemelvaartsdag op te bouwen. Wat bekend was en gezongen werd is verdwenen. Wat nieuw of vernieuwd tevoorschijn kwam vergt van de gemeente net even iets meer, mogelijk teveel van de kleine groep die bijeen komt om het feest van ’s Heren hemelvaart te vieren.

 

Geplaatst in Alles, Gemeente, Liturgie | Reacties uitgeschakeld voor Hemelvaart in het nieuwe liedboek (2013)

2e persoon

Vanmorgen woonde ik een lezing bij van prof.dr. C.J (Kees) de Ruijter onder de titel ‘Doorzingen in de preek’. Deze lezing stond in het kader van een gelijknamige studiedag van Eredienst Creatief. Ik vermoed dat de site van Eredienst Creatief eerdaags wel de powerpoint bij de lezing zal weergeven en mogelijk zelfs een opname van de lezing zal aanbieden.

De Ruijter schetste een eigen theologische benadering van het werkveld van de liturgie. Dat gaat veel verder dan ik op basis van mijn geheugen en een paar aantekeningen in deze blog kan navertellen. Uitgangspunt is voor De Ruijter de ‘polis’, ofwel de stad. Liturgie is een ‘politiek’ programma. Hij zei het volgens mij niet letterlijk, maar ik vul in: het politieke programma van het Koninkrijk van God. De Ruijter typeert in dit kader spreken als opbouwen, luisteren als aanvaarden en handelen als dienen.

Waar ik in deze blog even bij stil wil staan is het volgende. Het gaat in de liturgie volgens De Ruijter niét om het object, de derde persoon, al zullen velen uit de gereformeerde beweging dat hem door het dominant aanwezige Verlichtingsdenken niet direct nazeggen. Dus niét om: ‘ik heb/ken de waarheid‘. Met dat absolute gegeven slaan mensen dan vervolgens elkaar mee om de oren. De slinger is inmiddels helemaal de andere kant op geslagen. De Ruijter stelt ook die benadering onder kritiek. Het gaat ook niét om het subject, de eerste persoon, ‘ik heb/ken de waarheid’. Dan heeft ieder zo zijn eigen waarheid. In de liturgie gaat het bij de mens, bij de gemeente om de tweede persoon, om luisteren en antwoorden. God gaat voorop. Hij is de eerste persoon. Naar mijn gevoel schuurt dit woordgebruik. Eerst gaat het om de eerste en de derde persoon in grammaticale zin. Bij tweede persoon gaat het om het telwoord tweede.

Bij tweede persoon dacht ik in eerste instantie aan iets anders. Ik dacht dat De Ruijter zou gaan zeggen: in de liturgie gaat het om de tweede persoon, om het U, Jij, Gij zeggen. Maar dat deed hij nu net niet. Toch zou ik wel voor deze benadering willen pleiten. In de eerste plaats uit historisch oogpunt. De hernieuwde belangstelling voor de liturgie in protestants Nederland, zo rond de vorige eeuwwisseling, zette een dikke streep onder het begrip aanbidding.  De aanbidding moest terug in de eredienst. Dat raakt aan het liturgisch-theologisch element dat ik zou willen geven. Wij komen in de liturgie niet zozeer iets halen – zoals onder protestanten vaak gedacht wordt – maar wijk komen er iets brengen. Wij komen God de eer brengen. Dat klinkt abstract, maar het betekent voor mijn gevoel zoveel als: we willen Hem met focus, met aandacht benaderen. Een derde reden om de route van het U, Jij en Gij te gaan ligt in het betoog van De Ruijter zelf. Luisteren, écht luisteren, is niet iets van ik en Hem, maar van ik en U/Jou/Gij. Voor antwoorden, écht antwoorden geldt in feite hetzelfde. Als het bij luisteren en antwoorden om ik en Hem zou gaan, zou het gaan om een beschrijving. Juist in de liturgie is het echter geen beschrijving, maar een levende werkelijkheid, communicatie zélf.

Geplaatst in Alles, Gemeente, Liturgie | Reacties uitgeschakeld voor 2e persoon

Dienst Gereformeerde Gemeente

Onlangs beluisterde ik via internet een dienst van een Gereformeerde Gemeente. Dat is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Een flink aantal gemeenten van dit kerkverband verbergt hun internetdiensten achter een decoder, al wordt de groep gestaag wel kleiner. Ik wil enkele bevindingen van mijn luisterervaring aan deze blog toevertrouwen.

Een voorlezer deed de Schriftlezing. Tegenwoordig maken veel protestantse gemeenten gebruik van een lector, maar die is vrijwel altijd van rij recente datum. Het instituut van voorlezer is enkele decennia geleden bij het oud vuil gezet. In mijn begintijd als predikant kwam ik in een Gereformeerde Kerk die de voorlezer tot in ieder geval het einde van de jaren ’80 in ere gehouden had, maar dat was een grote uitzondering. De Gereformeerde Gemeenten koestert deze traditie die dus inmiddels niet meer per definitie met een hang naar vroeger te maken heeft. Elders is de voorlezer weer helemaal terug in de figuur van de lector.

De voorlezer in deze dienst las duidelijk, op toon, maar ook voorzichtig. Het is natuurlijk altijd mijn interpretatie, maar hij las naar mijn gevoel met grote eerbied. Het had iets van verwondering: dat hij waardig was om deze woorden, Gods Woord, te mogen lezen. Hoe dan ook het deed mij intens luisteren.

De preek was in zekere zin voorspelbaar, in drie punten, met een tussenzang op ongeveer driekwart van de tijd, als opmaat (‘Toen zeid’ik: Zie, ik kom, o Heer’, Ps. 40: 4) naar het derde punt, dat van de toepassing. Het is niet moeilijk kritisch te zijn over de inhoud van de preek. Er lag bijvoorbeeld een grote nadruk op de zonde. Nu hoeft dat wat mij betreft helemaal niet verkeerd te zijn. Maar het bleef bij ‘zonde’. Op geen enkel moment werd de zonde concreet benoemd. Ook was het achterliggende concept van bekering en bekeerd worden nogal schematisch-mechanisch van karakter. Als je dat iedere zondag, iedere dienst te horen krijgt … . Hóór je het dan nog wel? Wat mij echter bijzonder aansprak was dat ik sterk bepaald werd bij Jezus Christus, de weg die Hij in Zijn lijden en sterven gegaan was. Veel ‘moderne’ preken, ook van een wat degelijker soort, zetten sterk in bij de menselijke ervaring of de ervaring niet te kunnen ervaren. De voorganger kwam steeds weer terug bij Jezus, wat Hij deed en zei, en zorgde juist daarmee voor een indringende ervaring. Dat vond ik bijzonder. Zo kan het dus ook.

Intens. Indringend. Ik had dat niet direct op deze wijze verwacht. Maar misschien wel juist daarom: bijzonder.

Geplaatst in Gemeente, Liturgie, Overig | Reacties uitgeschakeld voor Dienst Gereformeerde Gemeente

Kerk naar 2025: inhoud

Onlangs verscheen het rapport ‘Kerk naar 2025. Een verkenning’. Ik begon met een blog schrijven over de procedure. In deze blog wil ik ingaan op de inhoud. Ik maak daar een ‘groeiblog’ van. Ik voeg in de loop der tijd gedachten toe die nieuw bij mij opkomen. Zoals dat gaat in een creatief proces als dit.

Om te beginnen. Het is een goede zaak dat de Protestantse Kerk in Nederland zich bezint op de toekomstige organisatie. Sommigen hebben het bij de totstandkoming in 2004 en de aanloop daarop al gesteld dat de gekozen organisatie niet toekomstbestendig was. Zij hebben gelijk gehad. Al snel verdwenen de regionale dienstencentra. De landelijke dienstenorganisatie kromp en krimpt nog steeds. Het landelijk gebouw is inmiddels veel te groot, maar kan gelukkig deels aan derden worden verhuurd. Dit alles is het gevolg van teruglopende inkomsten. Aan alle kanten merken actieve gemeenteleden echter ook dat er naast een financieel probleem in steeds sterkere mate een personeel probleem aan het ontstaan is. De groep die ja wil zeggen op een van de ambten en zich daaraan een periode van tenminste vier jaar wil verbinden, wordt kleiner. Vooral de bovenplaatselijke organisatie heeft daarvan te lijden. Ze is te groot, te log. Maar er is meer. De plaatselijke situaties verschillen steeds meer van elkaar. Maatwerk is nodig. De huidige kerkorde is slechts in beperkte mate op ingericht. Met enige regelmaat worden aanpassingen doorgevoerd, maar deze vergroten de (al bestaande) complexiteit en zijn lang niet altijd voldoende. Bovendien kost een wijziging van de kerkorde veel tijd. Ook om snel op toekomstige ontwikkelingen in te spelen, zal het daarom eenvoudiger moeten. Verder is het collegiaal bestuur naar moderne maatstaven in probleemsituaties niet adequaat. Losmakingsprocedures van predikanten bijvoorbeeld duren lang. Door alle instanties die hun zegje moeten doen is zorgvuldigheid en eenduidigheid soms ver te zoeken.

Als het om predikanten gaat, is het rapport beperkt, zo je wilt selectief. Je zou verwachten dat er een mooi, aansprekend en inspirerend beeld wordt geschetst van de predikant in 2025.Wat dat betreft was ik wel onder de indruk van het pleidooi van J.H.F. Schaeffer in Christelijk Weekblad van deze week (nr 7, vrijdag 3 april) voor de predikant als generalist. Hij gaat daarmee in tegen de trend om de toekomst van het predikantschap vooral te zien in specialisatie. In het synodale rapport blijft het allemaal erg flets: het houdt zo ongeveer op bij de constatering dat de invulling in de toekomst ‘bewegelijk’ zal zijn. Het enige punt waar het concreet wordt is in de vraag (en in de daarmee verbonden stelling) of de verbintenis van een predikant aan een gemeente voor onbepaalde tijd wel de meest geëigende is. Daar wordt dan nog wel een aardige theologische draai aangegeven door te wijzen op ‘de onrust van de voeten van de apostelen’, maar het blijft ook daarmee allemaal wel erg mager. Welke functie gaat de predikant in de kerk van 2025 vervullen?! Hoe gaat het werken met één predikant voor misschien vier of vijf vier/preekplekken? Welke gevolgen heeft dát voor de kerkstructuur? Vreemd, zo niet verontrustend voor predikanten is dat er bij de stelling staat: ‘Uiteraard vraagt dit om zorgvuldige uitwerking, met inachtneming van een rechtspositie van predikanten.’ Doorgaans wordt gesproken over dé rechtspositie. Toeval of bedoeld? In dit kader is het ook opvallend dat bij de verdere uitwerking wel de Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer wordt genoemd, maar niet de Bond van Nederlandse Predikanten.

Overigens ben ik er, afhankelijk van de uitwerking, niet op voorhand op tegen om enige terminering aan te brengen in het beroepen van een predikant. Een eerste periode van zeven jaar, eventueel één keer te verlengen met vijf jaar? Ik zou overigens heel nadrukkelijk álle predikanten in landelijke dienst bij deze terminering willen betrekken. Laten zij gewoon meedraaien in dit geheel. Dat zal wel betekenen dat de tijd van reguliere arbeidsovereenkomsten voor de predikant-medewerkers van de Dienstenorganisatie van de PKN voorbij is. Zij worden beroepen door de synode en komen als zodanig in algemene dienst. Het wordt daarmee omgekeerd ook voor gemeentepredikanten aanlokkelijker een aantal jaren in landelijke dienst te werken.

Een tweede punt dat mijn aandacht trekt is dat van de kerkelijke rechtspraak. Die moet volgens het rapport blijven. De onderbouwing is heel kort: ‘De gang naar de wereldlijke rechter past niet goed bij een geloofsgemeenschap.’ Op zich prima. Ik ben echter wel benieuwd wat deze stellingname waard is. De huidige kerkelijke rechtspraak richt zich sterk op vorm en procedure. Bestuursorganen zoals de kerkenraad hebben in de huidige kerkelijke rechtspraak een vrijwel onbeperkte beleidsvrijheid. Hooguit kunnen ze in aanraking komen met opzicht (en tucht). Nu al is het zelden zinvol in beroep te gaan tegen een kerkelijk besluit. Het bestuursorgaan krijgt vrijwel altijd gelijk. Als de kerkorde een stuk dunner wordt en daarmee de regelgeving afneemt, zou de kerkelijke rechtspraak wel eens helemaal een wassen neus kunnen worden. Het zal dan echt nauwelijks meer gebeuren dat bijvoorbeeld een kerkenraad te betrappen valt op het niet volgen van de procedurele (zorgvuldigheids)regels. Voor zover dat wel gebeurt, dreigt een ander probleem. Waar regels ontbreken zal de kerkelijke rechtspraak zich wellicht genoodzaakt zien zelf regels te stellen. Ze gaat daarmee dan op de stoel van de kerkelijk wetgever (met name de synode) zitten. In dit verband zou ik willen pleiten voor twee zaken. 1) Een onderzoek naar de huidige kerkelijke rechtspraak, de betekenis en zin ervan, zowel voor bezwaarmakers als bestuursorganen, enzovoort. 2) Een opzet die aansluit bij de in het onderzoek opgedane bevindingen. Mijn indruk is namelijk dat op dit moment door de gekozen (bestuursrechtelijke) aanpak van de kerkelijke rechtspraak, de betekenis ervan zeer gering is, eerder bij de betrokken partijen frustratie opwekt, dan het idee geeft dat wordt recht gedaan. Zonder zullen we echter ook niet kunnen. Dan zullen mensen snel(ler) de stap zetten naar de burgerlijke rechter. Of het niet past bij een geloofsgemeenschap, zoals de auteurs van het rapport menen, weet ik niet op voorhand (al stelt Paulus wel een stevige vraag op dit punt in 1 Korinthe 6: 1). Zeker is voor mij wel dat het niet wenselijk is.

 

Geplaatst in Kerk en recht, Overig, Publicaties | Reacties uitgeschakeld voor Kerk naar 2025: inhoud

De weg naar Kerk 2025 verkennen: procedure

Afgelopen week kwam het rapport ‘Kerk op weg naar 2025. Een verkenning’ in het nieuws. Verschillende kranten berichtten erover. De een genuanceerder dan de ander. Zo kopte Trouw dat predikanten na 8 jaar uit hun gemeente zouden moeten vertrekken. Op Twitter reageerden sommige predikanten verontrust, alsof het niet om een verkenningstocht zou gaan, maar om een gelopen race. Nu moeten we de sturende invloed die van een verkenning als deze uitgaat, niet onderschatten. Maar er is nog een flinke weg te gaan voordat het tot besluitvorming komt. En dan nog. Veel zal afhangen van de concrete uitwerking, de checks en balances, die wordt aangebracht.

Dit neemt niet weg dat er procedureel nog wel wat aan te merken valt. Zo is er anderhalve maand geleden een landelijke enquête uitgerold over de toekomstige organisatie. Komt die in feite niet te vroeg? Ik schreef al eerder een kritische blog over methode en (met name) inhoud. Het gevoel van onbehagen versterkt zich nu de bijbehorende verkenning ‘uit’ is. Allerlei vragen in de enquête moeten gelezen en verstaan worden tegen de achtergrond van het rapport. De antwoorden zijn gegeven zonder dat mensen er kennis van hebben kunnen nemen. De kans is groot dat de antwoorden anders zouden uitvallen als de respondenten meer zouden hebben geweten van de achtergronden van en overwegingen bij de vraagstukken. De beoordeling van de resultaten zal echter niet anders plaats kunnen vinden dan mét de kennis van dit rapport in het achterhoofd. Al met al bevestigt de gang van zaken me in mijn oordeel over de enquête: volstrekt niet serieus te nemen.

Een tweede kanttekening betreft de wijze van publicatie. Ik vind het niet zo vreemd dat predikanten kritisch reageren.  De eerste complottheorieën over een machtsgreep van de Dienstenorganisatie doen al de ronde (al is het rapport van de hand van de secretaris van de synode), tot op Twitter tegensputterende vertegenwoordigers van de Dienstenorganisatie ten spijt. De predikanten zijn in de kerk de grootste groep die als professionals te maken zal hebben met de kerkelijke reorganisatie. Het is dan bepaald niet charmant dit rapport onaangekondigd in de publiciteit te zetten. Het minste zou toch zijn dat predikanten en andere professionals in de nieuwsbrief die ze geregeld krijgen zouden zijn ingelicht dat dit allemaal staat te gebeuren. Een voorkeursbehandeling door inspraak vooraf hoeft wat mij betreft niet, past ook slecht bij de structuur van de Protestantse Kerk. Maar zoals het nu gaat, voelt het toch als een soort van overval. Onnodig. Ongewenst ook.

Meer en meer krijg ik het gevoel dat een duidelijk en vooral ook verantwoord kompas ontbreekt. De eerste stap zou zijn geweest: een kerkbreed gesprek over wat voor kerk we nodig hebben in 2025, wat we willen vasthouden, wat we willen loslaten of zelfs maar liever kwijt zouden zijn. Dat alles mondt uit in een aantal uitgangspunten. Op basis daarvan zou de volgende stap zijn een nota, zoals die nu voorligt, met een aantal stellingen en scenario’s. In de discussie daarover zou eventueel ook het middel van de enquête kunnen worden ingezet, al luistert het nauw. Deze stap vraagt misschien wel twee rondes, juist ook om recht te doen aan wat er wordt ingebracht vanuit de verschillende geledingen. Een en ander loopt dan uit op een aantal conclusies en het traject van de formele besluitvorming. Op dit moment lijken de verschillende stappen in het project door elkaar te lopen. Dat overtuigt niet echt.

 

 

 

Geplaatst in Alles, Gemeente, Kerk en recht, Publicaties | Één reactie

De samenstelling van een beroepingscommissie (PKN)

De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland bepaalt ten aanzien van de instelling van een beroepingscommissie het volgende (ordinantie 3-3-5):

Ter voorbereiding van de verkiezing en de beroeping van een predikant stelt de kerkenraad een beroepingscommissie in waarin naast leden van de kerkenraad in de regel een aantal andere gemeenteleden zitting heeft. In een gemeente met wijkgemeenten wijst ook de algemene kerkenraad uit zijn midden een lid aan.

De vraag is gesteld, of in een gemeente met wijkgemeenten de algemene kerkenraad in de plaatselijke regeling mag vastleggen dat hij meer dan een lid benoemt. Als dat volgens de kerkorde niet mag, heeft een dergelijke bepaling ‘geen kracht’ (ordinantie 4-4-2) en heeft een eventueel bezwaar tegen benoeming van meer dan één lid door de algemene kerkenraad een grote kans van slagen.

In de eerste versie van de kerkorde, uit 1997, ontbreekt de laatste volzin dat in een gemeente met wijkgemeenten de algemene kerkenraad ‘een lid’ aanwijst. Een Gereformeerde classis en Luthers Amsterdam had gevraagd om een aanvulling in deze zin. De werkgroep kerkorde nam de suggestie over en op haar voorstel kwam het in 2002 in de definitieve versie van de kerkorde terecht.

Na de invoering van de kerkorde van de PKN in 2004 zijn in dit artikel geen veranderingen aangebracht. In de eerste druk van De toelichting op de kerkorde (…) (Zoetermeer: Boekencentrum 2004) staat (p. 123): ‘Daarin zitten leden van de kerkenraad, bij een wijkgemeente in elk geval ook een lid van de algemene kerkenraad (door de algemene kerkenraad aangewezen uit zijn midden) en in de regel ook een aantal gemeenteleden.’ Deze uitleg is niet glashelder. Het ‘in elk geval ook’ kan uitgelegd worden als: in ieder geval iemand van de algemene kerkenraad (eventueel meer), maar ook als één lid van de algemene kerkenraad. Een schema op de voorafgaande bladzijde suggereert het laatste: ‘lid beroepingscommissie aanwijzen’. Dus niét: lid of leden.

De herziene uitgave uit 2013 heeft op p. 121 dezelfde uitleg, alleen is het ‘uit zijn midden’ geschrapt. Dat zal bewust gebeurd zijn, al is het wel vreemd. De uitdrukking staat letterlijk zo in het kerkordeartikel. Voor het beantwoorden van de vraag is dit niet van belang.

Op basis van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat vooralsnog gelezen moet worden: één lid.

Nu is het zo dat een wijkkerkenraad en een algemene kerkenraad ‘in overleg’ – ofwel: met wederzijdse instemming – overeen kunnen komen dat een bepaalde taak of bevoegdheid die tot het domein van de wijkkerkenraad behoort aan de algemene kerkenraad wordt overgedragen (ordinantie 4-9-4). Aan deze overdracht zit in beginsel alleen de beperking vast ‘voor zover in de orde van de kerk niet anders is bepaald’. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de regeling van de vermogensrechtelijke aangelegenheden. Het is echter hoogstonwaarschijnlijk dat een wijkkerkenraad het beroepingswerk overhevelt naar de algemene kerkenraad. Het zou bovendien de algemene kerkenraad niet ontheffen van hetgeen over de samenstelling van de beroepingscommissie wordt bepaald: ‘naast leden van de [wijk]kerkenraad in de regel een aantal andere gemeenteleden’, waarbij bij die gemeenteleden aan andere leden van de wijkgemeente gedacht zal moeten worden. Voor de vraagstelling levert dit dus geen nieuwe gezichtspunten op.

Het antwoord op de vraag moet zijn dat een algemene kerkenraad in een plaatselijke regeling niet mag vastleggen meer dan één lid in een beroepingscommissie te benoemen, ook niet met de uitdrukkelijke instemming van de desbetreffende wijkkerkenraad. Overigens lijkt dit me een bepaling die bij een revisie van de kerkorde mag sneuvelen. Dat een algemene kerkenraad een vinger in de pap moet hebben bij het beroepingswerk van een wijk is op zich voorstelbaar, maar in welke mate is mijns inziens toch echt een zaak van onderling overleg.

Als ik nog wat verder doordenk: zou de hele bepaling over de instelling van een beroepingscommissie niet gewoon kunnen verdwijnen? Een (wijk)kerkenraad kan prima zelf bepalen hoe hij het beroepingswerk en een eventuele (!) beroepingscommissie inricht.

 

Geplaatst in Alles, Gemeente, Kerk en recht | Reacties uitgeschakeld voor De samenstelling van een beroepingscommissie (PKN)

Vragen bij een enquête

De Protestantse Kerk houdt onder haar leden een enquête met het oog op de kerk in 2025.  De media pakken het bericht snel op, al klinkt het her en daar wat dramatisch: hoe moet het verder? Alsof het een soort van wanhoopspoging is. En dat is het niet. Ik waardeer het positief dat de PKN een kerkbrede enquête houdt. Enige kerkpolitiek zal daar overigens niet vreemd aan zijn. Bisschop Eijk en de rooms-katholieke Nederlandse kerkprovincie hielden de enquête die Rome de wereldkerk instuurde angstvallig voor zich en de parochiebesturen. De Protestantse Kerk laat zien dat zij andere mores kent in de omgang met het grondvlak. Tegelijk vraag ik me af, in hoeverre de vragen echt peilen wat aan de basis leeft. Het gaat namelijk meer om de (bovenplaatselijke) organisatie dan om de inhoud, als het erop aan komt meer om het hoofd dan om het hart. Voor zover de vragen wel betrekking hebben op de plaatselijke gemeente, kunnen de betrokken gemeenten daar hun voordeel niet mee doen. Je hoeft alleen maar de provincie waar je woont in te vullen, geen postcode. Maar zelfs met een postcode zouden de gegevens niet kunnen worden doorgesluisd naar de desbetreffende plaatselijke gemeente, omdat een toenemende groep mensen niet in de eigen geografische (wijk)gemeente kerkt. Het invullen van specifieke geografische gegevens als de postcode zou de beloofde anonimiteit onder druk hebben gezet. Bovendien zouden de uitkomsten fricties tot gevolg kunnen hebben, bijvoorbeeld in de beoordeling van de predikant in zijn verschillende taken (vraag 11). Verstandig daarom dat dat niet gedaan is.

Met alle waardering voor dit initiatief, zet ik een aantal kritische kanttekeningen op een rijtje, zonder de pretentie volledig te zijn.

  • Het overgrote deel van de vragen is gesloten. Je kunt alleen kiezen uit een aantal voorgegeven antwoorden. Dat perkt de creativiteit sterk in. De enquête wekt dan wel de indruk het kerklid voluit serieus te nemen, maar doet dat in de praktijk toch slechts in beperkte mate. Het zou echt spectaculair zijn geweest als de enquête mensen meer vrijuit had laten denken en dromen. Lastig voor de verwerking, maar dat is een ander punt.
  • Een (kwantitatieve) enquête bevestigt doorgaans de status quo. Echte vernieuwing vraag om inzet van andere middelen. Godsdienstsocioloog Hijme Stoffels wees daar in een eerste reactie van een paar dagen geleden direct al op.
  • De geslotenheid van de vragen valt me bijvoorbeeld op bij vraag 27, gericht aan de predikant. De vraag is eerst: wat is de omvang van uw dienstverband? Klik je fulltime aan, dan is de kous af. Klik je parttime aan dan kun je vervolgens nog kiezen uit twee antwoorden: je bent tevreden, of je bent het niet. Zou het ook kunnen zijn dat een fulltime predikant liever parttime zou werken? Of dat de parttimer het prima vindt parttime te werken mits het wat makkelijker zou zijn een andere werkkring met het predikantswerk te combineren? De enquête laat geen ruimte voor dit soort nuances en blijft daarmee toch wat oppervlakkig.
  • Soms gaat het bij de antwoorden echt fout. Vraag 33 luidt: ‘Ervaart u voldoende ondersteuning bij uw werk als predikant vanuit … ‘. Dan volgt een opsomming via kerkenraad en werkgemeenschap naar de classis, en verder. Het vreemde is alleen dat de gemeente niet in het rijtje genoemd wordt. Kan die niet ondersteunen? Is de steun vanuit de gemeente niet het allerbelangrijkste? De vraag stellen is hem beantwoorden. Wat heb ik door de jaren heen juist vanuit de gemeente aan steun en warmte mogen ontvangen!
  • De vervolgvraag (34) over de werkgemeenschap krijgt de predikant alleen maar als hij bij de vorige vraag de ondersteuning uit de werkgemeenschap positief waardeerde. De mogelijkheid om wat kritischer in te gaan op dit instituut ontbreekt, terwijl daar best aanleiding voor is. Er zijn zoveel vormen en plaatsen van overleg en ondersteuning, dat de vraag is wat daarbovenop de positie van de werkgemeenschap is, zeker als de predikant ook nog aan zijn reguliere werk wil toekomen.
  • De vragen zijn soms dubbelzinnig. Vraag 29 citeert de ambtsopvatting uit de kerkorde (vgl. vraag 45). Op zich niets mis mee. Maar de vraag is dan: ‘Drukken bovenstaande woorden op uw ambtsbeleving?’ Drukken kan hier zowel een positieve als een negatieve lading hebben. Of deze opvatting wordt in jouw ambtspraktijk zichtbaar en je bent daar blij mee. Of deze opvatting is je te hoog gegrepen, je bent je bewust van je onvermogen, en je ervaart haar daarmee als een last. Vanwege de mogelijke misverstanden zullen de antwoorden op deze vraag onbruikbaar zijn.
  • Bij vraag 50 mag ingevuld worden, hoe je staat tegenover de intensivering van een bepaald onderdeel van het kerkelijk werk, bijvoorbeeld meer jeugdwerk. Op zich is daar niets mis mee. Toch heeft het voor mijn gevoel ook iets van ‘u vraagt, wij draaien’. Het wordt naar mijn idee pas spannend en reëel als er gekozen moet worden: bijvoorbeeld óf meer jeugdwerk, óf meer diaconaal werk. In het kader van dezelfde vraag kun je aangeven hoe je denkt over de stelling ‘beter klein, kwetsbaar en zelfstandig dan fuseren met een andere gemeente’. Zou de vragensteller echt vóelen wat dat betekent, als hij of zij op deze vraag reageert? Ik betwijfel het. Zoals bij veel kwantitatieve enquêtes is het manco, dat het allemaal erg vrijblijvend is.
  • Een vraag verder (51) stuit ik op het tegenovergestelde van de gesloten vraag. Ik mag aangeven wat ik vind van ‘opleiding en profiel predikanten meer aanpassen aan huidige behoeften van gemeenten’. Wat die ‘huidige behoeften’ zijn wordt er niet bij verteld. Voor menigeen zal het antwoord op deze voorvraag bepalend zijn. Als de gemeenten bijvoorbeeld zouden vinden dat een goede predikant orthodox moet zijn, zal de reactie anders luiden dan als de kwalificatie vrijzinnig is. Met andere woorden: dit is op een verkeerde manier een ‘open vraag’, een vraag die zweeft.
  • Bij vraag 60 lijken de antwoorden de geënquêteerde in een bepaalde richting te drukken. Bij vorige vragen is er een zeker evenwicht tussen onacceptabel enerzijds en zeer wenselijk anderzijds, of tussen zeer belangrijk aan de ene kant en zeer onbelangrijk aan de andere. Wel zou het me niet verbazen dat de volgorde van de verschillende categorieën er toe doet. In het ene geval begint het met onacceptabel, in het andere met zeer belangrijk. Ik vermoed dat hoe meer het vakje naar links staat – dus waar men begint te lezen -, hoe eerder het verhoudingsgewijs zal worden ingevuld. Bij vraag 60 is echter iets anders aan de hand. Er kan uit vijf waarderingen worden gekozen: uitstekend / zeer goed / goed / matig / slecht. Overgezet in de cijfers van het rapport: 10 / 9 / 8 / 6 of 5 / 2. Het zal direct duidelijk zijn dat het evenwicht hier zoek is. Bovendien begint de reeks anders dan elders in het onderzoek met de hoogste waardering. De landelijke kerk gaat bij vraag 60 ongetwijfeld hoog scoren … .

Het zal duidelijk zijn. Hoe ingenomen ik ook ben met het idee van een enquête, ik ben buitengewoon ongelukkig met de inhoud ervan. Ik kan deze manier van bevragen niet echt serieus nemen. Hooguit zullen er bij een aantal vragen tendensen uit kunnen worden afgeleid, maar dat hangt dan sterk af van de vraagstelling en de te geven antwoorden. Synode, u kunt beter uw eigen plan trekken dan rekening houden met de uitslag van deze enquête. De kans is groot dat u daarmee pas echt recht doet aan wat er aan de basis van de kerk leeft.

P.S. Zie ook de bijdrage ‘PKN op verkeerde pad met onderzoek’ van Joop van Holsteyn, bijzonder hoogleraar kiezersonderzoek aan de Universiteit van Leiden, in Trouw van 21 februari 2015. Hij richt zich met name op de problemen met de representativiteit die de huidige aanpak oplevert.

Geplaatst in Alles, Gemeente, Overig, Publicaties | Reacties uitgeschakeld voor Vragen bij een enquête