De benoeming van de classispredikanten – analyse en evaluatie

De Protestantse Kerk in Nederland heeft haar eerste tien classispredikanten binnen. Een elfde volgt naar verwachting binnenkort, op 6 juni, voor de classis Utrecht.

De benoemingsprocedure voor een dergelijke functie is vaak met een verder dan de vereiste geheimhouding reikende geheimzinnigheid omgeven. Dat is ook hier het geval. Toch weten we inmiddels al heel wat. Ik zet een aantal zaken op een rijtje en voeg daar steeds enkele evaluerende opmerkingen aan toe.

Deze evaluatie draagt een voorlopig karakter (d.d. 19 mei). De laatste dagen komt steeds meer gegevens vrij die een nieuw licht op de gang van zaken werpt. Het is niet denkbeeldig dat er op enige termijn nog meer informatie beschikbaar komt die het beeld nog bijstelt of nuanceert.

  1. Voor de 11 nieuwe classes hebben 88 mensen, in beginsel predikanten, gesolliciteerd op de vacature van classispredikant. Dat zijn per vacature gemiddeld 8 sollicitanten. Naar verluidt wisselde dat aantal echter per vacature sterk, van enkelen (naar ik later begreep was vier het kleinste aantal) tot meer dan twee handen vol.
  2. Opmerkingen. Bewust schrijf ik ‘in beginsel’ predikanten. Het zou natuurlijk best kunnen dat er ook niet-predikanten een poging hebben gewaagd, al was het profiel op dit punt helder: het moet een predikant zijn. De basisnota ‘Waar een Woord is’ gaf nog enige ruimte aan de mogelijkheid van een niet-predikant. Die optie is dus later geschrapt. De genoemde getallen betekenen dat bij een totaal van ongeveer 2430 predikanten in actieve dienst (stand ultimo 2015) ongeveer 1 op de 28 een brief heeft geschreven. ofwel 3,6 %. Omdat de aantallen dalen, zal het inmiddels om ongeveer 1 op de 25, ofwel 4 % gaan.
  3. In elke classicale selectiecommissie zaten 2 leden van ‘buiten’: een lid van het moderamen van de generale synode en een adviseur (naar ik later begreep waren er zelfs twee adviseurs vanuit de dienstenorganisatie). Aan de ene kant lees ik (ND, 19 mei 2018) dat zij ‘geen bepalende rol’ hebben gespeeld in de selectie. Aan de andere kant hoor ik dat zij in aanpak, methodiek en thematiek een grote, zo niet bepalende inbreng hebben gehad.
  4. Opmerkingen. De generale synode heeft deze aanpak ‘afgezegend’, al is het de vraag waar ze de bevoegdheid aan heeft ontleend om nadere regels voor de selectie en selectiecommissie te stellen, in het bijzonder voor de benoeming van deze twee leden (vgl. ovbep. 88a sub b) (NB: hierover handelt een aparte kerkrechtelijke blog). Afgezien daarvan staat de aanpak voor mijn gevoel op gespannen voet met – of zelfs haaks op – de kerkordelijke bepalingen, althans met de intentie daarvan, ook als de invloed van buitenaf beperkt is geweest. In de herziene kerkorde staat namelijk (ord. 4-16-2): ‘De verkiezing van de classispredikant geschiedt niet dan nadat over de omvang van de aanstelling van de betrokkene overeenstemming is bereikt met de kleine synode en kleine synode over de keuze van de betrokkene is gehoord.’ Voor het overige is het een zaak van de classicale vergadering. In het voorstel voor de eerste lezing was de invloed van de kleine synode overigens nog beduidend groter: ‘dan nadat over (…) de keuze van de betrokkene overeenstemming is bereikt met de kleine synode.’ De kerkelijke regelgever heeft kennelijk bewust besloten de invloed van de kleine synode en aanverwante partijen in te perken.
  5. De leeftijd van de verkozenen ligt tussen de 48 en 61 jaar. De gemiddelde leeftijd van het tiental is 56,3 jaar.
  6. Opmerkingen. De gemiddelde leeftijd is op het eerste gezicht vrij hoog. Daarbij moeten in ieder geval twee dingen bedacht worden. De eerste is dat in het profiel voor de functie veel ervaring gevraagd wordt op uiteenlopende terreinen. Een jonge predikant in haar of zijn eerste gemeente bijvoorbeeld, komt daarom alleen al niet snel in aanmerking. Het tweede aandachtspunt is de leeftijd van predikanten in het algemeen. Meer dan 75 % van het aantal gemeentepredikanten valt in de leeftijdscategorie 45-65 jaar, terwijl 47 % behoort tot de groep 55-65 jaar. Afgezien van de gemiddelde leeftijd, maakt de feitelijke leeftijd duidelijk dat allen in beginsel een hele termijn van vijf jaar kunnen volmaken vóór hun emeritaat, maar 5 van de 10 niet ook nog eens een tweede termijn (als ze herbenoemd zouden worden en de herbenoeming zouden aannemen).
  7. Van de 88 sollicitanten waren er 14 vrouw, ofwel zo’n 16 %. Op een totaal van 10 tot op heden benoemden is er 1 vrouw, ofwel 10 %. Utrecht ‘moet’ nog. Als dat een vrouw wordt, komt hun aantal percentueel op 18,2 %. Anders blijft het steken op 9,1 %.
  8. Opmerkingen. Het ontbreekt me aan precieze getallen, maar ik heb het vermoeden dat het percentage vrouwelijke sollicitanten ongeveer samenvalt met het het percentage vrouwelijke predikanten in de hierboven genoemde leeftijdscategorieën. Het aantal vrouwelijke predikanten groeit gestaag, maar met name in de jongere leeftijdscategorieën. Daar komt bij dat onder de oudere predikanten naar mijn inschatting gemiddeld nog wat vaker vrouwen bevinden die op latere leeftijd hun vleugels hebben uitgeslagen en predikant geworden zijn. De relevante werkervaring is daarmee de facto beperkter. Dit zijn echter aannames. Zelfs als het qua getallen allemaal wel zo’n beetje klopt, betekent dat naar mijn idee niet dat het qua aandeel vrouwen ook per se zo moet. Dat brengt bij het volgende.
  9. Wie naar de achtergrond van de benoemden kijkt, ontdekt al snel dat maar liefst 5 van de 10 in hun recente arbeidsverleden met name of alleen bestuurlijk werk deden. Weliswaar hebben allen ook een of meer gemeenten gediend als predikant, dit lijkt een belangrijke, zo niet doorslaggevende factor te zijn geweest in de benoemingen. Bij zeker 8 van de 10 is er sprake van stevige bestuurlijke ervaring, zij het soms in een wat verder verleden, hetzij binnen, hetzij buiten de kerk.
  10. Opmerkingen. Dit gegeven is op het eerste gezicht niet vreemd. Leiding is een van de trefwoorden in de functie van classispredikant. Niettemin heeft in de beeldvorming het pastorale aspect tot op heden een sterke nadruk gekregen – bijvoorbeeld in ‘Waar een Woord is’. Sterker nog, de classispredikant zou juist géén bestuurder moeten worden. Pastoraal werk geschiedt veelal in een betrekkelijke stilte. Van sommige predikanten gaat de mare dat ze goed zijn in het pastoraat, maar veel verder dan de grenzen van de eigen gemeente gaat die mare vaak niet. Daarom: heeft dit aspect in de benoemingsprocedure wel de aandacht gekregen die het verdient? Maar ook: hoe kom je mensen met bijzondere pastorale vaardigheden op het spoor? Het is namelijk ook bepaald niet denkbeeldig dat juist de pastoraal getalenteerden niet hebben gesolliciteerd. Het zal nog spannend worden hoe in de uitvoering de pastorale en bestuurlijke taken zich tot elkaar zullen verhouden, zeker gelet op de enorme aantallen gemeenten, predikanten en kerkelijk werkers waar de classispredikanten elk mee te maken zullen krijgen. Bestuurlijke ervaring is in dat licht welhaast onontbeerlijk, eigenlijk gewoon een voorwaarde om het pastoraal waar te kunnen maken.
  11. Onder meer op Twitter ontstond enige hilariteit over de foto’s die van de classispredikanten verspreid werden – in het ND van 19 mei stonden ze alle bij elkaar. De een na de ander verscheen in (donker)blauw pak, met eigenlijk alleen variatie in de stropdas: een blauwtint (3), een andere kleur (2), of zonder (4). Dit patroon werd pas bij de laatstbenoemde doorbroken: de enige vrouw in het gezelschap. Iemand schreef wat plagend na het zoveelste blauwe pak: een rood jasje tussendoor zou ook wel aardig zijn geweest, met daarbij de hashtag #pinksteren.
  12. Opmerkingen. Enerzijds zou de reactie kunnen zijn: wat een pietluttigheid. Anderzijds is het nu net Kerk 2025 dat zelf van de classispredikant het ‘gezicht’ van de classis maakt. De PKN is zich er kennelijk bewust van (geworden) dat het naar buiten toe zo werkt. De kerk moet meer ‘smoel’, moet een gezicht krijgen. Vanuit het oogpunt van de beeldvorming snap ik aan de ene kant dat niet voor een willekeurige verzameling foto’s is gekozen. Aan de andere kant komt in deze benadering de veelkleurigheid van de kerk tekort. Dat is in zoverre jammer, omdat ik vermoed dat elk van de verkozenen letterlijk een eigen kleur en ook een eigen verhaal heeft, namens de classis die zij of hij zal leiden en vertegenwoordigen. Zij vertellen hetzelfde verhaal van het evangelie van redding en verlossing, maar ze vertellen het verschillend.
Geplaatst in Alles, Kerk en recht, Overig | Reacties uitgeschakeld voor De benoeming van de classispredikanten – analyse en evaluatie

Hoge noot

De beamer doet in steeds meer kerken zijn intrede. Daar heb ik op zich geen moeite mee. De beamer kan waardevolle diensten bewijzen. Bij het zingen turen de kerkgangers niet meer voorover naar hun liedboek, maar zitten ze rechtop. Het is niet meer per se nodig voorwerpen mee te nemen, ze kunnen immers worden afgebeeld. Enzovoort.

Bij de opmars van de beamer signaleer ik echter wel een probleem wat betreft de zangkwaliteit. In veel gemeenten ontbreken de noten. Het scherm is te klein. Of het is te lastig. De winst die de beamer kan brengen bij het zingen, wordt daarmee teniet gedaan. Veel mensen kunnen geen noten lezen. Toch hebben de meesten bij het zien van een notenbalk wel het besef wanneer het omhoog en naar beneden gaat, wanneer het sneller en langzamer moet. Ik meen het ook eigenlijk altijd te kunnen horen aan het zingen: met of zonder muziekschrift, zelfs bij bekende liederen.

Bundels zonder noten

Nu gebiedt de eerlijkheid te melden dat kerken en uitgevers lang niet alle bundels mét noten hebben uitgegeven. Ik heb verschillende edities in de kast staan van de Hervormde bundel uit 1938 met uitsluitend de teksten. De Gereformeerde 119 gezangen hebben bij mijn weten wel in alle uitgaven de muziek erbij, maar daarin waren dan ook een aantal gezangen met zogenaamd herstelde melodieën opgenomen: de melodie was een (net iets) andere dan men tot op dat moment gewend was. Het Liedboek voor de kerken bracht in 1973 een grote verbetering. Niet alleen stond boven elk eerste couplet de muziek, als het nodig was een bladzijde om te slaan was dat ook het geval bij het eerste couplet op een nieuwe bladzij. Zo was het altijd mogelijk zonder omslaan snel even te spieken hoe de melodie ook al weer ging. Het Liedboek uit 2013 deed wat dat betreft weer een stap terug. Elke melodie werd maar een keer opgenomen, boven het eerste couplet. Stukken voor solo en koor moesten het muziekschrift ontberen. De reden voor het weglaten was gelegen in het ruimtebeslag. Het overnemen van de methode uit het Liedboek 1973 zou betekenen dat er enkele tientallen liederen minder zouden kunnen worden opgenomen. Het wordt er met een bundel ten opzichte van een beamer dus niet per definitie beter op, of althans het is niet altijd optimaal. Voordeel van een bundel is natuurlijk wel dat je de regel die je zo aansprak later nog eens kunt herlezen. Het Liedboek 2013 heeft met een veelkleurige waaier aan extra teksten, gebeden en gedichten zelfs expliciet de bedoeling dat het buiten de eredienst gebruikt wordt. Een beamerprojectie is daarvoor uit zijn aard veel te vluchtig.

Uitvoeringspraktijk

Wie wat breder kijkt, ontdekt dat een aantal populaire bundels zoals de Evangelische Liedbundel en Opwekking ook vooral zónder noten bekend zijn. Dat raakt een ander punt, de uitvoeringspraktijk. Bij het evangelische lied past een band met als het even kan een leadzanger of – meestal – leadzangeres. Die trekt de gemeente dan wel mee, al kan het heel makkelijk ook een wat lui zingen worden: de zanger of zangeres zingt immers toch wel, door de versterking bepaalt die het geluid.  De gemeente raakt bij het op deze wijze zingen van liederen wat meer op de achtergrond. Persoonlijk vind ik dat jammer.

Bezint eer ge begint

Terug naar de observatie van het begin: meer beamers, weinig noten boven de liedteksten.  Meer werk hoeft een presentatie met noten niet te zijn. Er zijn voor de meeste en meest gangbare bundels op dit moment voldoende digitale voorzieningen om zonder al te veel problemen en snel tekst en noten te projecteren. Ik zou er daarom bij kerkelijke gemeenten die nadenken over de aanschaf van een beamer en bijbehorende schermen sterk op willen aandringen goed stil te staan bij de mogelijkheden en beperkingen. De gevolgen van zingen-zonder-noten zijn op termijn naar mijn stellige overtuiging ingrijpend. De onverwachte hoge noot in de melodie die zo lastig is maar de melodie juist zo aantrekkelijk maakt, wordt niet meer gehaald. Het echt samen zingen gaat er op achteruit. Dat is jammer, want juist de gemeentezang is volgens mij een van de aantrekkelijke eigenaardigheden van een protestantse eredienst.

P.S. Collega Lennart Aangeenbrug attendeerde me in het kader van deze blog nog op deze link.

 

Geplaatst in Alles, Gemeente, Liturgie, Overig | Reacties uitgeschakeld voor Hoge noot

Ik wil de psalmen niet kwijt

Sinds de Reformatie hebben de kerken in de calvinistische traditie berijmde psalmen gezongen, ook in ons land. Aanvankelijk waren het vrijwel uitsluitend psalmen, al kon dat van streek tot streek verschillen. Met de invoering van de ‘Evangelische gezangen’ in 1807 begonnen gezangen de psalmen te verdringen, al bleef er in een kerkdienst eigenlijk altijd wel één over, meestal aan het begin. Zeker in de afgelopen decennia is de populariteit van de Geneefse melodieën na het eeuwenlang te hebben uitgehouden snel terug gelopen. Toch blijft de ene psalm in de meeste gevallen wel gehandhaafd. Maar zingt de gemeente nog wel een psalm, is het niet eerder een lied?

150 + 491

In het Liedboek voor de kerken uit 1973 stonden de 150 Geneefse psalmen los van de 491 gezangen, ze werden althans apart geteld. Voor incidentele gasten leverde dat nog wel eens problemen op. Zij hoorden bij het opgeven bijvoorbeeld gezang 89, haakten aan bij het getal en kwamen dan bij het eerste lied met dat getal terecht, psalm 89. Oplettende kerkgangers hielpen dan meestal wel even om het juiste lied te vinden.

Doorlopende telling

Het Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk uit 2013 is anders opgezet. Net als in 1973 komen de psalmen eerst. De basis wordt gevormd door de psalmen van de ‘nieuwe’ berijming (1968). Maar bij een groot aantal psalmen zijn ook andere bewerkingen opgenomen, bijvoorbeeld in de vorm van een canon, met voorzang, reciterend zingen, enzovoort. Deze hebben na het nummer van de psalm een toevoeging gekregen in de vorm van een kleine letter. De psalm van de ‘nieuwe’ berijming heeft als psalm als het ware een stapje terug gedaan. Boven het lied staat de eerste regel/woorden ervan – net als bij alle nummers van het Liedboek 2013, gevolgd door de aanduiding ‘Psalm’ en het nummer. In de kantlijn staat in lichtblauwe grote cijfers alleen het nummer.

Voor

Voor deze wijzigingen is best het nodige te zeggen. Er hoeft geen verwarring meer te ontstaan, welk lied gezongen wordt, ook niet bij incidentele kerkgangers (al doet die verwarring zich tegenwoordig minder snel voor door het gebruik van de beamer: zelf opzoeken is niet meer nodig). Verder relativeert deze aanpak de berijming met de Geneefse melodieën: wij zingen immers niet de originele psalmen, maar berijmingen ervan. Het is niet per definitie zo dat deze berijmingen beter zijn dan de bewerkingen in de alternatieven, al zijn de bewerkingen inhoudelijk soms wel heel ver van het origineel verwijderd. De alternatieven verlagen bovendien de drempel om toch (weer) een psalm te zingen: nieuwe woorden, een andere melodie. Zo blijft het erfgoed van de psalmen levend, bij het afnemend enthousiasme voor de Geneefse melodieën niet onbelangrijk.

Verloren

Toch, er gaat iets wezenlijks verloren, namelijk dat we psalm(bewerking)en zingen. Steeds vaker hoor ik de eerste psalm aankondigen als ‘we zingen nu nummer zoveel’. Het besef dat we met dat nummer zoveel – zelfs als die voorzien is van een kleine letter en dus een alternatieve bewerking betreft – in een bepaalde traditie staan, ebt op die manier snel weg. Hetzelfde gebeurt bij beamerpresentaties waar de aanduiding ‘psalm’ vaak niet meer terug te vinden is. Ik kreeg onlangs de instructie dat ik voor het beamerteam beter niet de aanduiding ‘Ps.’ of ‘Psalm’ kon gebruiken, dat zou sommigen in verwarring kunnen brengen met mogelijk vervelende gevolgen voor de presentatie.

Pleidooi

Ik wil de psalmen en het besef van psalm zingen niet kwijt, welke vorm dat ook aanneemt. Daarom wil ik ervoor pleiten de nummers 1 t/m 150 in het Liedboek consequent te blijven aanduiden als psalm.

Geplaatst in Alles, Gemeente, Kunst en cultuur, Liturgie | Reacties uitgeschakeld voor Ik wil de psalmen niet kwijt

On the cliffs

De locatie van een kerkdienst doet ertoe. Zo beleven mensen de viering van het Avondmaal aan het Meer van Tiberias heel anders dan thuis. Een dankdagdienst zal bij een boer op het erf heel anders overkomen dan in de kerk. Het hoeft niet per se beter te zijn. Zo zal het bij een dergelijke dankdagdienst waarschijnlijk meer moeite kosten om letterlijk en figuurlijk afstand te nemen van de locatie en de bredere perspectieven in het oog te houden.

In deze blog beschrijf ik een korte dienst die ik onlangs met studenten hield op de kliffen bij Dover, en geef ik een korte reflectie daarop.

Toen we eerder op de zondagmorgen door Canterbury liepen om de auto’s op halen van de P+R, regende het nog, drizzle. Een paar uur later baadden we op de kliffen bij Dover in de zon. Het was overweldigend licht.

De opzet van de viering was eenvoudig. Enkele liederen, een lezing uit de Psalmen, een korte toelichting, gesprekken in groepjes, gebeden, een slotlied en de zegen. De groep was gemêleerd, studenten met uiteenlopende geloofsopvattingen.

In de voorbereiding zocht ik naar een Bijbels aanknopingspunt bij de locatie: de kliffen. Het woord klif komt in de Bijbel niet voor, rots wel, zeker in de Psalmen.  Na verschillende psalmen bekeken te hebben, koos ik voor Psalm 27. Net als veel andere psalmen kent deze psalm veel woorden die aanzetten tot verbeelding: naast de rots, lezen we over huis, tent, tempel, licht, enzovoort. Even zo goed dagen de werkwoorden uit: aanvallen, beschermen, leven, vieren … . Ik concentreerde me in eerste instantie op het tweede deel van vers 5: ‘Hij verbergt mij veilig in zijn tent, hij tilt mij hoog op een rots.’ Wat betekent het om hoog op een rots, een klif getild te worden? Aan de ene kant geeft dat een veilig gevoel, mij in ieder geval. Ik heb uitzicht, kan van verre eventuele bedreigingen zien aankomen. Ik kan beschutting zoeken tegen de regen, bijvoorbeeld. Aan de andere kant zullen ook anderen mij van verre kunnen zien. Wat dat betreft voelt het ook heel kwetsbaar. Zulke associaties hebben alles met mijzelf te maken. Ik kijk graag vooruit. Ik neem, waar nodig en mogelijk, graag tijdig maatregelen. Maar ik vind het vaak ook knap vervelend om naar voren geschoven te worden, als eerste iets in het openbaar te moeten zeggen. Ik denk eerst nog eens liever na. En nog eens. Ik luister als het even kan nog een keer naar een ander. Het beeld van hoog op een rots is wat dat betreft voor mij heel ambivalent. Ik lees over dit beeld. Het beeld leest mij, in wie ik ben. Tegelijk nodigt dit beeld als Bijbels beeld mij uit om mij te laten lezen voor Gods aangezicht. Wat reikt Hij mij nog meer aan? Misschien zoiets als dit. De rots staat niet alleen voor hoogte, ruimte en uitzicht, maar ook voor stevigheid, stevigheid die God mij biedt. Hij steunt en sterkt mij, ook als ik een stap naar voren doe – in feite: als Hij mij een stap naar voren doet doen – en ik me moet uitspreken.

De korte viering op de kliffen begint met het lied ‘Be Thou my Vision’. Het is een klassiek getoonzette hymn, naar oud Iers voorbeeld. Het lied zit vol met woorden die vragen om verbeelding: licht, vader-zoon, zwaard, leger, erfenis … . Na een kort openingsgebed leest iemand uit de groep Psalm 27. Alles gaat in het Engels, omdat er ook enkele buitenlandse studenten zijn, die het Nederlands nog onvoldoende machtig zijn. Ik geef vervolgens een korte inleiding op de mogelijke omgang met deze Psalm, ongeveer in de trant zoals ik dat hiervoor heb gedaan. Ik nodig de aanwezigen uit om nog eens vijf minuten in stilte bij de woorden van de psalm te ‘verwijlen’. Wat heeft je geraakt, bij het voorlezen, bij het herlezen? Stap als het ware in het beeld, in het woord, wat heeft dit jou te zeggen, in het bijzonder in jouw relatie tot God? Zet het misschien zelfs aan om vertrouwde grenzen te overschrijden? Na de stilte delen we onze observaties in groepjes van 6 à 7 personen, overigens nadrukkelijk zonder verplichting iets te zeggen. Dat leidt tot mooie gedachten. Zo wijst iemand op de eerste woorden: ‘De Heer is mijn licht’, in relatie tot het overvloedige licht op de kliffen op dat moment. Het heeft in dit perspectief iets vanzelfsprekends, iets troostends. Maar er is ook een keerzijde: in dat alomtegenwoordige licht zit ook iets dreigends – N.B. ook letterlijk: in de drie kwartier die we op de kliffen doorbrengen, verbrandt menigeen in de op zich al felle zon die in kracht nog eens door het water van de zee versterkt wordt. In de grote kring zeggen we onze gebeden, doorzongen met ‘O Lord, hear my prayer’ van Taizé. Staande, hand in hand bidden we het ‘Onze Vader’, ieder in zijn eigen (moeders)taal. We eindigen met ‘Lord, the light of your love is shining’ en een zegen. In het lied weer dat licht!

Als ik op deze viering terugkijk besef ik in de eerste plaats dat zoiets zich slechts in beperkte mate organiseren laat. Het was heel anders gelopen als het had geregend en we de viering ergens binnen hadden moeten houden. Tegelijk gaf de openheid in de aanpak de ruimte voor een mooie viering in wat voor omstandigheden dan ook. Mijn uitgangspunt was de rots, de kliffen. Ik had helemaal niet bewust stil gestaan bij andere mogelijke associaties, zoals het bijzondere licht op dit moment op deze plaats. Bij een binnenviering waren er vermoedelijk weer andere woorden en beelden opgekomen. Juist dit doet mij beseffen dat het niet alleen bij een kerkdienst maar ook bij Bijbelstudie – zowel in een groep als individueel – goed kan zijn eens een andere dan een/de vertrouwde locatie op te zoeken, het liefst een die in zichzelf al verbeelding oproept. Wie behoefte heeft aan een meer cognitieve benadering en meer wil weten over zaken als achtergrond en structuur van de psalm zal mogelijk tekort komen. Daar is bij een andere gelegenheid dan echter weer gelegenheid voor.

Zie ook www.eredienstcreatief.nl

Geplaatst in Alles, Liturgie, Overig | 2 Reacties

Heilig vuur

Een handzaam boekje over pionieren in ruim honderd bladzijden: Heilig vuur. Een pioniersreis voor beginners. Het is geschreven door Margrietha Reinders. Ik kreeg het afgelopen vrijdag op een symposium ter gelegenheid van acht jaar pionieren in de Protestantse Kerk in Nederland. Wie wil weten wat het is, wat pionieren doen kan, kan in zijn gedachtevorming met dit boekje wel even vooruit. Pionieren is namelijk niet wat het lijkt. Het is per definitie anders. Margrietha vertelt er openhartig over. Pionieren is bijvoorbeeld niet een manier om de kerk weer vol te krijgen of voor een bepaalde tevoren vastgestelde groep weer aantrekkelijk te maken. Dat was aanvankelijk wel de bedoeling bij het Amsterdamse Heilig Vuur West waar Margrietha werkzaam was. Het sterke is dat deze predikant-pionier niet met een soort van gelijkhebberige triomf meldt. Ze heeft het er moeilijk mee gehad dat ze op dit punt faalde en vertelt daar openhartig over. Pionieren is niet voortgaan op de veilige, bekende weg met een bescheiden theologie en hooguit een vleugje missionaire gedrevenheid. Margrietha verhaalt hoe ze zelf in de loop der jaren veranderde. Ze leerde bidden, écht bidden. Ze leerde te leven van de wind. Toch, opnieuw, de toon wordt niet hoogmoedig. Die blijft veeleer bescheiden. Margrietha weigert zich te verheffen boven de sport- of hobbyclub, alsof een geloofsgemeenschap meer is. Voor een buitenstaander is er nauwelijks of geen verschil. Juist zo maakt ze contact, hoewel er natuurlijk best wel wat valt af te dingen op deze stellingname.

Op het symposium over pionieren eindigde spreker Bert Tiggelaar met het beeld van een vliegtuig dat maar gedurende 5% van een vlucht écht op koers zit. Er moet voortdurend worden bijgestuurd. Een mooi beeld voor pionieren. Wat niet in het beeld zit: het is goed mogelijk dat je met een ander vliegtuig landt dan waarmee je bent opgestegen. Pionieren verandert de pionier.

In de spiegel

In dit boekje kijk ik ook in de spiegel van ruim zeven jaar predikantschap in Leidsche Rijn bij Utrecht. Deze wijk ontstond in 1999 voor we in Nederland van pioniersplekken en fresh expressions of church hadden gehoord. De kerk begon er zoals ze overal in het na-oorlogse Nederland in een nieuwbouwwijk begon. Mensen komen samen in een schoollokaal, na verloop van tijd wordt een kerkenraad geïnstitueerd, de gebruikelijke kerkelijke activiteiten worden georganiseerd, enzovoort. Maar in Leidsche Rijn werkte het zo niet meer, althans de werkelijkheid was veel weerbarstiger, deels ook door factoren die niets met de wijk en haar relatief jonge bevolking te maken hadden. De kerk is letterlijk en figuurlijk een verschijnsel in de marge geworden. Het is in Leidsche Rijn gelukt om een eigen gezicht te krijgen dat past bij de wijk. Tegelijk heeft de gemeente er alle trekken van een traditionele gemeente die vooral mensen trekt die al een binding met de kerk hadden. Heilig vuur maakt me er nog eens bewust van dat de mogelijkheden om met zo’n gemeente anderen te trekken zeer beperkt zijn. Daarvoor is het nodig vrijwel van nul af opnieuw te beginnen. Te bidden. Te zoeken in welke richting Gods Geest waait. Natuurlijk, dat doet een gewone gemeente ook, maar haar zintuigen zijn anders ontwikkeld. Het is daarom goed dat Leidsche Rijn naast de bestaande gemeente ook een pioniersplek heeft gekregen.

Ongetwijfeld doet iedere pionier het weer anders. Niet alleen de context verschilt. Ook de persoonlijkheid van de pionier. Toch is Heilig vuur een must voor wie op wat voor manier dan ook over pionieren na wil denken. Eigenlijk elke gemeente en predikant zouden dat moeten doen. Overal vallen mensen ‘buiten boord’, ook in streken waar de kerk nog prominenter zichtbaar is dan in Amsterdam-West.

Geplaatst in Gemeente, Overig, Publicaties | Reacties uitgeschakeld voor Heilig vuur

Genade of recht

Met grote regelmaat stort RTL-Z over ons de programma’s ‘Secret millionaire’ en ‘Undercover Boss’ over ons uit. ’s Avonds en in het weekend is het geheid raak. Beide programma’s hebben veel van elkaar weg. Iemand met rijkdom en macht duikt onder in de wereld van minder bedeelden. In het ene geval, bij de secret millionaire is dat de onderkant van de samenleving, willekeurig waar. In het andere geval, bij undercover boss, is dat de werkvloer. In beide gevallen vermomt de gefortuneerde zakenvrouw of -man zich. Toch blijkt dat niet altijd afdoende en ruiken mensen onraad. Dat voert de spanning een beetje op. Echt ontdekt wordt hij natuurlijk nooit. In ‘Undercover Boss’ heeft het er veel van weg dat de werknemers geselecteerd worden op een turbulent leven. De een heeft een gewelddadige jeugd gehad, een ander is de drugs net te boven, weer een volgende is ernstig ziek of is mantelzorger van een naaste. Bij tenminste een van hen raakt het leven van de werknemer dat van de baas, bijvoorbeeld de vader die jong overleden is en nog altijd erg gemist wordt. Aan het einde van het programma vindt de onthulling plaats. De miljonair brengt een check met een royale gift, zodat een project waarmee hij kennis heeft gemaakt door kan gaan, als het even kan als het anders bij gebrek aan financiën bijna opgedoekt zou zijn. Als de baas tevreden is over zijn werknemers – en dat is hij doorgaans, anders zou hij zijn bedrijf al te zeer te kijk zetten – dan vervult hij hun verlangens en gaat hij in op hun noden. Een vakantie voor het hele gezin naar Disney Land, een opleiding, opslag of promotie, het is een prijzenfestijn. Ideaal is het als niet alleen de werknemer in tranen raakt, maar ook de werkgever. Emotie verkoopt.

Alles blijft bij het oude

Ik merk dat ik bij het vorderen van bovenstaande beschrijving wat cynisch wordt. Dat heeft alles te maken met een aantal aarzelingen bij dit programma. Natuurlijk, het is TV. Manipulatie in wat voor vorm dan ook hoort daar bij. Maar het gaat in dit geval verder. Welk beeld wordt hier de Hollandse huiskamer binnen gebracht? In de eerste plaats is dat een kritiekloze aanname van gezagsverhoudingen. De baas is de baas. De werknemer werknemer. Zo is het, zo blijft het. De een staat aan de top, de ander aan de basis en ondergeschikt. Het wordt in dit programma bijna normaal gemaakt dat mensen (in Amerika) bijvoorbeeld hun medicijnen niet kunnen betalen. Natuurlijk zijn ze blij als ze een tegemoetkoming van de baas krijgen. Maar die geldelijke tegemoetkoming is maar tijdelijk. Structureel verandert er niets. Dat geldt natuurlijk helemaal voor al die anderen die de baas incognito niet op bezoek krijgen. Zij ploeteren voort. Iets dergelijks geldt voor de werknemer die opslag krijgt, een opleiding kan gaan doen of promotie maakt. Zij of hij is de uitzondering op de regel. Een fatsoenlijk inkomen is geen recht, maar genade, een gelukstreffer.

Verdoving

Deze RTL-Z-programma’s hebben een krachtige, verdovende formule. Degene die het om wat voor reden dan ook moeilijk heeft en/of van genadebrood moet leven, kan even wegdromen. Stel dat het mij zou overkomen … ?! Maar sprookjes bestaan niet. De baas op het witte paard evenmin. Programma’s als deze maken de Nederlandse samenleving klaar voor Angelsaksische, klassiek kapitalistische verhoudingen. Daarbij zijn uitgerekend mensen als degenen die in deze programma’s ‘bezocht’ worden, niet mee geholpen. Hun gegarandeerde minimum- of cao-loon komt op de tocht te staan. Dat is al volop gaande.

Recht

‘Secret millionaire’ en ‘Undercover boss’ zijn niet zo onschuldig als op het eerste gezicht lijkt. Ze verkopen in veel gevallen genade, terwijl het in feite gaat om een recht gaat.

Geplaatst in Overig | Reacties uitgeschakeld voor Genade of recht

Eredienst creatief in Princeton (New Jersey)

 

IMG_20160418_175342310

Ik ben deze dagen te gast in Princeton (New Jersey) in het kader van een conferentie over Church Polity, ofwel over kerkrecht, of nog wat anders geformuleerd over het bestuur van de kerk. Tot het programma behoren ook de dagelijkse momenten van gebed van het Theological Seminary waar we ondergebracht zijn. Vandaag, op de eerste dag, had het gebedsmoment een verrassende vormgeving, een in de lijn met die van Eredienst Creatief. Ik schreef al eens eerder over een vergelijkbare totaal onverwachte ontmoeting met zo’n uiting in Brno, Tsjechie. Het hangt kennelijk in de lucht om creatief met liturgie om te gaan.

De gebedsdienst stond in dit geval in het kader van een laagkerkelijke traditie. Het begon wat pardoes met het eerste lied. De sfeer is informeel. Verschillende instrumenten komen tevoorschijn, gitaar, saxofoon, piano, maar ook orgel. Op de tafel staat een glazen schaal met water. Eerst was me dat niet eens opgevallen. Maar al snel werd duidelijk dat deze schaal er niet voor niets stond.

Na het tweede lied en een inleidende tekst kwamen enkele studenten binnen met lange repen doorzichtige, lichblauwe stof. Die werden over de banken en de aanwezigen heen gedragen, alsof zij kopje onder gingen in de golven. Vervolgenns werden de repen stof om de schaal met water gedrapeerd. Een van de studenten dompelt zijn handen in het water en refereert aan de woorden die Paulus in Romeinen 6 schrijft over de doop. In Christus zijn wij in de doop, in het ten onder gegaan en opgestaan.

Daarop volgen een korte preek over een van de verhalen over Jezus en het (vaak woelige) water van het meer van Galilea. In dit geval gaat het over Jezus die over het water loopt. Hij bedwingt de chaos. Ten diepste verlangen we daar vaak ook zelf naar, hoewel … . Regels is een van de manieren om de chaos te bedwingen – hoe toepasselijk voor ons die ons bezig houden met Church Polity – maar of ze altijd heilzaam zijn, passen in de heilzame aanwezigheid van de Heer? De dienst eindigt met gebed, een lied en de zegen.

Ik vond de beeldende aanpak van deze dienst juist in alle eenvoud zeer to the point. Vaak zijn met eenvoudige manieren, zoals nu met enkele repen stof, krachtige beelden neer te zetten. Natuurlijk kan dat ook zonder, maar juist deze repen stof en de schaal met water hielpen om dicht bij de essentie van het evangelie te komen, zonder dat alles van dit beeld uitgelegd moest worden. Het water als een constante dreiging met het o zo begrijpelijke verlangen naar orde en overzicht, naar vrede. Het sprak en spreekt voor zichzelf. Het helpt ons de vraag stellen naar wie werkelijk verlossing kan brengen … .

Geplaatst in Alles, Liturgie | Reacties uitgeschakeld voor Eredienst creatief in Princeton (New Jersey)

Dit zijn de namen …

Ik blijf na het lezen van Dit zijn de namen van Tommy Wieringa met een wat onbestemd gevoel zitten. De titel lokte me: het zijn de eerste woorden van het Bijbelboek Exodus. Dat is een bewuste keuze. Het onbestemde zit ‘m vooral in de vraag: wat wil de schrijver nu eigenlijk zeggen, waar brengt dit verhaal mij?

Het onbestemde heeft ongetwijfeld ook te maken met een van de verhaallijnen in het boek: de tocht van een groep vluchtelingen, ergens in Rusland of een voormalige Sovjetrepubliek. Wanhopig zijn ze op zoek naar een nieuw leven, naar een leven over de grens, een beloofd land. Uit de beschrijving wordt mij duidelijk dat we hier in het Westen eigenlijk niets van vluchtelingen begrijpen. Wat wij ook doen, ze zullen blijven komen. Alles beter dan het leven dat ze achter zich laten. Alles beter dan het leven tijdens de vlucht, met alle gevaren en ontberingen van dien. Het onbestemde heeft vermoedelijk vooral te maken met het feit dat tegen de oerkrachten die achter deze beweging schuil gaat geen kruid gewassen is, wat politici ons ook suggereren en beloven.

De onbestemdheid komt verder voort uit de religieuze noties die meespelen. De Joodse traditie komt in zicht, met de uittocht/vlucht van het volk Israël, uit Egypte, naar het beloofde land. Dit is het geval bij de andere belangrijke verhaallijn, het leven van de commissaris van politie van de stad waar de vluchtelingen uiteindelijk aan zullen komen. Hij ontdekt gaandeweg dat zijn moeder Joods was, dat hij Joods is. Daar doorheen speelt bijgeloof. Zoals het gebeente van Jozef wordt meegenomen, zo slepen de vluchtelingen als relikwie en talisman een hoofd mee van een van hen die in de woestenij (door een van hen!) is omgebracht. Verder lezen we mijmeringen over de dood van een die de anderen het leven brengt. Zo ervaren de vluchtelingen het namelijk: deze ene bracht hen tijdens zijn leven louter ongeluk, maar nu hij dood is wijst hij hen de weg. Na vele ontberingen volgt nu ineens de ene meevaller op de andere. Hoe dit te duiden? Als Oosterse wijsheid? Of als hart van het christelijk geloof? Of beide? Hoe dan ook, Dit zijn de namen laat zien dat religie onuitroeibaar is. Met wat welwillendheid kan vanuit de persoon van de commissaris en zijn wederwaardigheden ook worden afgeleid dat religie noodzakelijk is. Om te weten van een oorsprong, van een doel, van een gemeenschap in het hier en nu. Toch irriteert het. Omdat het allemaal zo ongrijpbaar blijft? Of omdat het ongrijpbaar is?! Het pakt je of het pakt je niet. Daarmee komen we terecht bij aspecten als verkiezing en roeping, fundamentele religieuze noties.

Ik leg het boek eerst maar eens terzijde. Ik wacht af wat er beklijven zal.

 

Geplaatst in Overig | Reacties uitgeschakeld voor Dit zijn de namen …

Wat geloof ik?

Geloof was nog niet eens zo lang geleden voor de meeste mensen iets dat was vastgelegd in traditionele formuleringen. In de afgelopen jaren is alle nadruk komen te liggen op éigen formuleringen. Toch merk ik dat met enige regelmaat de vraag terugkomt naar een bepaald houvast, een oriëntatiepunt. Een van de oriëntatiepunten was (en is) de Heidelbergse Catechismus. Dit calvinistische leerboek dateert uit 1563. Dat heeft allerlei gevolgen. Ik beperk me tot de meest voor de hand liggende: de taal staat ver van ons af, de redeneringen zijn lang niet altijd meer de onze. Toch ben ik met enige regelmaat positief verbaasd over de diepe geloofswijsheid die in dit boekje ligt opgeslagen. Het is dan jammer dat er zoveel werk nodig is om die wijsheid op te delven.

De catechismus werkt met voorgegeven vragen en antwoorden. Zeker ouderen zullen de eerste vraag – die ze net als de anderen uit het hoofd moesten leren – nog wel kennen: ‘Wat is uw enige troost zowel in leven als in sterven’. Het antwoord was, kort geformuleerd dan: ‘Dat ik (…) niet mijzelf toebehoor, maar het eigendom ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus.’ Met andere woorden: het fundament van mijn leven ligt buiten mij. Ik kan nog zo mijn best doen, het kan mij nog zo slecht vergaan, ik kan nooit uit Zijn hand vallen.

Een groepje predikant is begonnen het oude gedacht opnieuw onder woorden te brengen. De eerste vraag luidt dan: ‘Waarin vind jij jouw geluk?’ Met als antwoord: ‘Mijn geluk is dat Jezus Christus mij gevonden heeft. Hij offerde zichzelf op om mij thuis te brengen in de liefde van God. Zijn Geest maakt in mij de hoop wakker op Gods nieuwe toekomst, voor mij en heel de wereld.’ Ik ben benieuwd hoe het geheel er straks uit gaat zien. Wat ik verder lees, is veelbelovend: http://www.theoblogie.nl/een-proeve-van-de-nieuwe-catechismus-werktitel/ Mooie gedachten om met elkaar over in gesprek te gaan!

Geplaatst in Gemeente, Overig | Reacties uitgeschakeld voor Wat geloof ik?

Mis chip – de reiziger niet alleen bij de Fyra in de kou

Vraagtekens

Al van het begin af aan heb ik grote vraagtekens bij het chipkaartproject van de OV-bedrijven. Handig voor de reiziger? Nee dus. Waar ik vroeger één keer een retourkaartje kocht moet ik nu vier keer mijn portemonnee pakken om in- of uit te chippen. Mensen die een trajectabonnement hebben, hebben er verhoudingsgewijs nog veel meer werk aan. Tegen de ene aankoop staan nu vele handelingen bij de poortjes. Veiliger voor reiziger en personeel? Ook dat betwijfel ik. Net als vrijwel iedere regelmatige reiziger overkomt het ook mij dat ik bij in- of uitchecken een ‘hijger’ in de rug heb. Die probeert het dus gratis. Niet zo gek, want controles heb ik bij mijn reizen in de laatste maanden – elke week toch gauw 3 à 4 retourreizen – in een veelal volle trein nauwelijks meer meegemaakt.

Nog een voorbeeld. De chipkaart had een servicekaart voor de reiziger kunnen worden, zoals in Londen bijvoorbeeld. Daar betaal je in het OV automatisch nooit meer dan de prijs van een dagkaart. Daar hoef je in Nederland niet om te komen. Dan heb ik het nog niet over in- en uitchecken bij verschillende vervoerders. Enkele jaren geleden kon de kaart in een strak tempo worden ingevoerd. Veel minder strak verloopt de planning als het gaat om het oplossen van dit probleem. De eerste pilots zijn van start … .

Duur

Van de ene op de andere dag raakte vorige week mijn chipkaart defect. Hij deed niets meer. De NS geeft de kaart uit voor vijf jaar. De mijne hield het ongeveer 2,5 jaar uit. Dat betekent dat er een nieuwe kaart gekocht moet worden à 11 Euro. Maar daarmee is het verhaal nog niet uit. Een vervangende chipkaart kan – toegegeven – snel besteld en geleverd worden. In de tussentijd moet ook gereisd kunnen worden. Dat betekent dat er ook nog eens een extra chipkaart gekocht moet worden, een anonieme van 7,50 Euro – aan een persoonlijke zit veel meer levertijd vast. In totaal gaat het dus om 18,50 Euro. Het is dus misleidend als ov-chipkaart suggereert dat het voor 11 Euro zou kunnen. En veel gedoe. Want op die anonieme kaart moet ook nog geld gezet worden. Het kan er later weer af, maar ook dat kost aandacht, tijd, enzovoort.

sshot-3

Als de kaart nog geen twee jaar oud is, kan die worden ingeleverd. Bij een technisch defect wordt 11 Euro terug gestort. Dan nog betaal je de postzegel voor het opsturen zelf … . Is de kaart ouder dan twee jaar, dan is het risico voor jezelf. Het is me onduidelijk wat voor redenering daar achter zit. De kaart wordt voor vijf jaar uitgegeven. Je mag dus verwachten dat die het bij normaal gebruik ook vijf jaar uit houdt. In het consumentenrecht heb je garantie voor een redelijke termijn. Dat lijkt me voor een voor vijf jaar uitgegeven chipkaart meer dan twee jaar, zeker als uit onderzoek blijkt dat het uitvallen niet het gevolg is van je eigen handelen. Helaas zal dat consumentenrecht wel weer net niet gelden voor de reiziger. De site van de ov-chipkaart suggereert dat je bezwaar kunt maken tegen de betaling van 11 Euro. Dat blijkt echter een wassen neus. Een met argumenten onderbouwde mail wordt met een standaardreactie beantwoord.

Het deze week verschenen rapport over de Fyra draagt de titel ‘De reiziger in de kou’. De suggestie is dat dit alleen het geval is bij de Fyra. Helaas, wie het beleid ten aanzien van het OV in de afgelopen jaren bekijkt, moet constateren dat dat in feite voor heel het OV het geval is.

Geplaatst in Alles, Overig | Reacties uitgeschakeld voor Mis chip – de reiziger niet alleen bij de Fyra in de kou